Splijting
In een kerncentrale wordt uranium verspleten en de bij dit proces vrijkomende energie
omgezet in elektriciteit. Dat splijten vindt plaats als een uraniumkern wordt
getroffen door een neutron met een bepaalde snelheid. Een neutron is een van
de bouwstenen waaruit elke atoomkern (behalve waterstof) is opgebouwd. Bij
de splijting van een uraniumkern ontstaan twee, soms drie, nieuwe, kleinere
kernen, de splijtingsproducten, en er komen enkele neutronen bij vrij. Als
steeds één van die neutronen een volgende uraniumkern doet splijten wordt het
splijtingsproces in stand gehouden. In een kernreactor wordt ervoor gezorgd
dat de neutronen worden afgeremd tot de juiste snelheid om een uraniumkern te
splijten en dat de overbodige neutronen worden weggevangen. De ene uraniumkern
valt uiteen in xenon en yttrium, de andere in bijvoorbeeld jodium en strontium.
Zo ontstaan er tientallen verschillende splijtingsproducten die bijna alle sterk
radioactief zijn. Uranium komt in de natuur voor in twee soorten: uranium met
238 kerndeeltjes en uranium met 235 kerndeeltjes. Deze soorten noemt men isotopen.
Uranium- 235 is gemakkelijk splijtbaar, uranium- 238 juist niet.
Neutronenvangst
Als uranium- 238 door een neutron wordt getroffen is de kans dat het neutron
wordt ingevangen in de kern groter dan de kans dat de kern splijt. Door
neutronenvangst ontstaan zwaardere elementen. Die zwaardere elementen zijn
alle radioactief en vervallen uiteindelijk vanzelf weer naar lichtere
elementen. Dat zal voor een aantal isotopen echter honderdduizenden jaren duren.
|