[<< Back to Standards for radiation protection and associated services]

Dit is de html-versie van het bestand http://www.sbng.nl/Downloads/bsk2000.pdf.
G o o g l e maakt automatisch een html-versie van documenten bij het indexeren van het web.

Google heeft geen banden met de auteurs van deze pagina en is niet verantwoordelijk voor de inhoud ervan
Deze zoektermen werden geselecteerd: nederland staatsblad 397 


397 Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Page 1
397
Besluit van 16 juli 2001, houdende vaststelling
van het Besluit stralingsbescherming
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst van 20 december 2000, Directie
Arbeidsomstandigheden, nr. Arbo/Amil/00/84346, gedaan mede namens
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu-
beheer en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen, 28, 29, eerste lid, 30, 31, 32, eerste en vierde lid,
34, 35, 37, eerste lid, 37a, 38a, 67, 69, vierde en vijfde lid, 69a, 69b, 73 en
76 van de Kernenergiewet, artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998, artikel 37, tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg alsmede op richtlijn nr. 96/29/Euratom van de Raad van
de Europese Unie van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen
voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en der werkers
tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 159) en
richtlijn nr. 97/43/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 30 juni
1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van
ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot
intrekking van richtlijn 84/466/Euratom (PbEG L 180);
De Raad van State gehoord (advies van 27 maart 2001, no.
W12.01.0024/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst van 2 juli 2001, Directie Arbeidsom-
standigheden, nr. Arbo/Amil/01/41134, gedaan mede namens Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeen-
stemming met Onze Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK 1. DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden
Jaargang 2001
Staatsblad 2001 397
1

Page 2
aanwijsinstrument: instrument voor tijd- of plaatsbepaling, dan wel
voor het meten, bepalen of aangeven van andere grootheden, bestemd
voor gebruik op of in de directe omgeving van personen;
activiteit: activiteit als bedoeld in bijlage 2;
activiteitsconcentratie: activiteitsconcentratie als bedoeld in bijlage 2;
arbodienst: een dienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet
1998;
A-werknemer: de blootgestelde werknemer, bedoeld in artikel 79,
tweede lid;
besmetting: de aanwezigheid van radioactieve stoffen in een materiaal,
in of op een oppervlak, in een omgeving, of uitwendig op of inwendig in
een persoon;
blootgestelde werknemer: werknemer die gedurende zijn werktijd ten
gevolge van handelingen een blootstelling ondergaat die kan leiden tot
een dosis die hoger is dan een der in artikel 76 genoemde dosislimieten;
blootstelling: het blootgesteld zijn aan ioniserende straling;
bron: toestel dan wel radioactieve stof;
B-werknemer: andere blootgestelde werknemer dan een A-werknemer;
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
deskundige: een persoon, die met het oog op de betrokken taak als
deskundige is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 7, tweede
lid;dosisbeperking: dosiswaarde die bij de planning van handelingen wordt
vastgesteld als plafondwaarde voor het optimaliseringsproces van de
bescherming tegen ioniserende straling bij een handeling, taak of beroep
of een categorie daarvan;
effectieve dosis: effectieve dosis als bedoeld in bijlage 2;
effectieve volgdosis: effectieve volgdosis als bedoeld in bijlage 2;
equivalente dosis: equivalente dosis als bedoeld in bijlage 2;
externe werknemer: A-werknemer die onder verantwoordelijkheid van
een ondernemer die in een andere lidstaat van de Europese Unie is
gevestigd, werkzaam is op Nederlands grondgebied in een zone als
bedoeld in artikel 83, eerste lid, onder a, onderdeel 1°;
gezondheidsschade: de geschatte kans op een kortere levensduur en
verminderde kwaliteit van leven voor een persoon door de negatieve
effecten van lichamelijke afwijkingen, kanker, en ernstige genetische
effecten als gevolg van blootstelling aan ioniserende straling;
handeling: het bereiden, voorhanden hebben, toepassen of zich
ontdoen van een kunstmatige bron of van een natuurlijke bron, voor zover
deze natuurlijke bron is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve
eigenschappen dan wel het gebruiken of voorhanden hebben van een
toestel, uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een radiologische
noodsituatie;
hoofdinspecteur voor de milieuhygiëne: hoofdinspecteur van het
Staatstoezicht op de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de
hygiëne van het milieu;
ingekapselde bron: radioactieve stoffen die zijn ingebed in of gehecht
aan vast dragermateriaal of zijn omgeven door een omhulling van
materiaal met dien verstande dat hetzij het dragermateriaal hetzij de
omhulling voldoende weerstand biedt om onder normale gebruiks-
omstandigheden elke verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen;
kunstmatige bron: bron, niet zijnde een natuurlijke bron en niet zijnde
een toestel;
lid van de bevolking: een persoon uit de bevolking binnen of buiten een
locatie, niet zijnde een werknemer gedurende zijn werktijd of een persoon
die een radiologische verrichting ondergaat;
locatie: inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de
Wet milieubeheer of plaats, waar een handeling of werkzaamheid wordt
verricht;
Staatsblad 2001 397
2

Page 3
lozing: lozing in de bodem, in de lucht, in het openbare riool of in het
oppervlaktewater;
lozing in de bodem: het definitief in de bodem brengen of doen brengen
teneinde deze aldaar te laten, van vloeibare of in water opgeloste
radioactieve stoffen dan wel van in een waterstroom meegevoerde
deeltjes van radioactieve stoffen, of het op de bodem brengen van deze
stoffen indien daarbij de vloeistof voor een deel in de bodem treedt, met
uitzondering van meststoffen in de zin van de Meststoffenwet;
lozing in het openbare riool: het in het openbare riool ontsnappen of
laten ontsnappen van vloeibare of in water opgeloste radioactieve stoffen
dan wel van in een waterstroom meegevoerde deeltjes van radioactieve
stoffen;
lozing in de lucht: het in de lucht ontsnappen van of laten ontsnappen
van gasvormige radioactieve stoffen dan wel van in een luchtstroom
meegevoerde deeltjes van radioactieve stoffen;
lozing in het oppervlaktewater: het in het oppervlaktewater ontsnappen
of laten ontsnappen van vloeibare of in water opgeloste radioactieve
stoffen dan wel van in een waterstroom meegevoerde deeltjes van
radioactieve stoffen;
mijnbouw: het verrichten van handelingen of werkzaamheden in het
kader van een verkennings- of opsporingsonderzoek of, als bedoeld in
artikel 2 van de wet of de Mijnwet 1903, het winnen van delfstoffen;
natuurlijke bron: kosmische straling of bron van natuurlijke oorsprong,
niet zijnde een toestel;
omgevingsdosisequivalent: omgevingsdosisequivalent als bedoeld in
bijlage 2;
omgevingsdosisequivalenttempo: omgevingsdosisequivalenttempo als
bedoeld in bijlage 2;
ondernemer: degene onder wiens verantwoordelijkheid een handeling
of werkzaamheid wordt verricht;
Onze Ministers: Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
open bron: bron, niet zijnde een ingekapselde bron en niet zijnde een
toestel;
oppervlaktebesmetting: oppervlaktebesmetting als bedoeld in bijlage 2;
potentiële blootstelling: blootstelling die niet met zekerheid zal optreden
maar waarvan de waarschijnlijkheid van optreden en de grootte van de
daarbij eventueel optredende blootstelling van tevoren kunnen worden
geschat;
radioactieve afvalstof: radioactieve stof die krachtens artikel 38 als
zodanig is aangemerkt en die niet wordt geloosd;
radiologische verrichting: medische handeling met gebruikmaking van
ioniserende straling als bedoeld in artikel 53, eerste lid;
radiotoxiciteitsequivalent: de activiteit die bij inname leidt tot een
effectieve volgdosis van 1 sievert voor een volwassen referentiepersoon;
regiodirecteur: regiodirecteur van de Arbeidsinspectie;
schade: nadelige gevolgen van ioniserende straling voor mensen,
dieren, planten en goederen;
stralingsarts: een persoon, die als stralingsarts is ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
werknemer: persoon die, hetzij in dienst of onder gezag van een
ondernemer, hetzij als zelfstandige, arbeid verricht;
werkzaamheid: het bereiden, voorhanden hebben, toepassen van of zich
ontdoen van een natuurlijke bron voor zover die niet wordt of is bewerkt
wegens zijn radioactieve eigenschappen, uitgezonderd bij een interventie,
een ongeval of een radiologische noodsituatie;
wet: Kernenergiewet.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
«voorhanden hebben» mede verstaan: het vervaardigen, bewerken,
Staatsblad 2001 397
3

Page 4
hanteren en opslaan, met uitzondering van opslag in verband met
vervoer.
3. Met betrekking tot dit besluit en de daarop berustende bepalingen
worden bij de bepaling van wat «redelijkerwijs mogelijk» is de econo-
mische en sociale factoren in aanmerking genomen. Daarnaast wordt
ingeval van blootstelling in aanmerking genomen de mate waarin een
blootstelling en de kans van optreden van die blootstelling kunnen
worden beperkt.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. lozing of het zich ontdoen van radioactieve stoffen waarvoor de in de
artikelen 35, 37 en 108 gestelde verboden niet gelden;
b. het vervoeren van radioactieve stoffen en het binnen of buiten
Nederlands grondgebied brengen of doen brengen daarvan;
c. het vervoeren van toestellen, die tijdens vervoer niet gebruikt
worden;
d. handelingen met een toestel met een maximale hoogspanning van
5 kV;
e. blootstelling aan radon en dochternucliden, afkomstig uit de
onverstoorde aardkorst of uit bouwmaterialen gebruikt in gebouwen;
f. bovengrondse blootstelling aan radionucliden die zich bevinden in de
onverstoorde aardkorst of in bouwmaterialen gebruikt in gebouwen;
g. straling ten gevolge van radionucliden die van nature in het
menselijk lichaam aanwezig zijn;
h. kosmische straling ter hoogte van het aardoppervlak;
i. kosmische straling in een vliegtuig voor leden van de bevolking en
voor werknemers, die niet behoren tot de vliegtuigbemanning;
j. blootstelling aan radon en dochternucliden die vrijkomen bij het
verbranden of afblazen van aardgas.
Artikel 3
1. De bepaling van de omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en
de effectieve doses geschiedt op de wijze, vermeld in de bijlagen 2, 3 en 4.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor
methoden van bepaling van de doses, bedoeld in het eerste lid, die
gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in het eerste lid en in plaats daarvan
kunnen worden toegepast.
3. Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer kunnen:
a. regels worden gesteld voor de bepaling van de in het eerste lid
bedoelde doses;
b. methoden worden aangewezen voor de wijze waarop deze doses
worden getoetst aan de in dit besluit genoemde doses.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de
meetmethoden van activiteit, activiteitsconcentratie of oppervlakte-
besmetting.
5. Ten behoeve van de bepaling van doses worden alle effectieve of
equivalente doses gesommeerd die een persoon ontvangt ten gevolge
van handelingen en werkzaamheden, voor zover geregeld bij of krachtens
dit besluit, met uitzondering van een radiologische verrichting, bij of
krachtens het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen en bij of
krachtens het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
6. Ten behoeve van de toetsing aan de in bijlage 1, tabel 1 en tabel 2,
vermelde waarden worden alle activiteiten die zich op enig moment
binnen een locatie bevinden gewogen en gesommeerd voor zover
geregeld bij of krachtens dit besluit, bij of krachtens het Besluit
Staatsblad 2001 397
4

Page 5
kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen en bij of krachtens het Besluit
vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
7. In afwijking van het zesde lid worden de activiteiten of activiteitscon-
centraties in natuurlijke bronnen niet gesommeerd met de activiteiten of
activiteitsconcentraties in kunstmatige bronnen.
HOOFDSTUK 2. RECHTVAARDIGING EN OPTIMALISATIE
Artikel 4
1. Een handeling is slechts toegestaan indien zij door Onze Ministers is
gerechtvaardigd, dan wel behoort tot een categorie van handelingen die
door Onze Ministers is gerechtvaardigd. Onze Ministers rechtvaardigen
een handeling of een categorie van handelingen slechts indien de
economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling of
categorie van handelingen opwegen tegen de gezondheidsschade die
hierdoor kan worden toegebracht.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de
bekendmaking van:
a. welke handelingen of categorieën daarvan overeenkomstig het
eerste lid zijn gerechtvaardigd, en
b. welke handelingen of categorieën daarvan overeenkomstig het
eerste lid niet zijn gerechtvaardigd.
3. Indien nieuwe, belangrijke gegevens over de doeltreffendheid of de
gevolgen van de daarin opgenomen handelingen daartoe aanleiding
geven kan de rechtvaardiging van de handeling worden herzien. Een
wijziging als bedoeld in de vorige volzin wordt zo spoedig als redelij-
kerwijs mogelijk is van kracht.
4. Indien een vergunning wordt aangevraagd of een melding wordt
gedaan voor een handeling die als gerechtvaardigd is bekendgemaakt,
wordt in de melding of de vergunningaanvraag verwezen naar die
bekendmaking.
5. Indien een vergunning wordt aangevraagd of een melding wordt
gedaan voor een handeling die niet of als niet-gerechtvaardigd is
bekendgemaakt, omvat de vergunningsaanvraag, onderscheidenlijk de
melding tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De
vergunningsaanvraag of de melding bevat dan tevens de gegevens met
betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de
betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die
erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de
beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de rechtvaardiging, bedoeld in de
artikelen 55, 56 en 57.
7. Naast de handelingen of categorieën van handelingen die door Onze
Ministers volgens het eerste lid zijn gerechtvaardigd, kan Onze Minister
van Defensie, met het oog op het belang dat de krijgsmacht dient, een
andere handeling of categorie van handelingen rechtvaardigen. Deze
handeling of categorie van handelingen wordt door Onze Minister van
Defensie bekendgemaakt op een bij regeling van deze Minister bepaalde
wijze.
Artikel 5
1. De ondernemer zorgt ervoor dat de effectieve of equivalente doses
van individuele personen, in samenhang met het aantal blootgestelde
personen, ten gevolge van een handeling zo laag zijn als redelijkerwijs
mogelijk is.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot potentiële
Staatsblad 2001 397
5

Page 6
blootstellingen zowel de dosis bij een blootstelling als de kans op een
blootstelling zo laag als redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel 6
1. Onverminderd artikel 48, zorgt de ondernemer ervoor dat plaatsen
binnen een locatie waar handelingen worden verricht, zodanig zijn
ingericht dat voor personen die zich daarbuiten bevinden, ten gevolge van
de handelingen tezamen een dosisbeperking van 1 mSv effectieve dosis in
een kalenderjaar wordt gehanteerd.
2. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is met bouwkundige voorzie-
ningen te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt
deze verkregen door middel van organisatorische maatregelen.
3. De ondernemer zorgt ervoor dat bij het verrichten van handelingen
die overeenkomstig artikel 21 worden gemeld, voor personen op enig
punt buiten de locatie ten gevolge van die handelingen tezamen een
dosisbeperking van 10 µSv effectieve dosis in een kalenderjaar wordt
gehanteerd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen andere dosisbeperkingen worden
vastgesteld voor daarbij aangegeven categorieën van handelingen, taken
of functies.
HOOFDSTUK 3. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
§ 3.1 bevoegdheden deskundige
Artikel 7
1. De ingevolge dit besluit door een stralingsarts te verrichten taken
worden slechts uitgevoerd door een persoon die als stralingsarts is
ingeschreven in het door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgele-
genheid aan te wijzen register en zijn taken uitvoert in overeenstemming
met een arbodienst.
2. De ingevolge dit besluit door een deskundige te verrichten taken
worden slechts uitgevoerd door een persoon die als deskundige voor de
uitvoering van de betrokken taak is ingeschreven in een door Onze
Ministers aan te wijzen register.
3. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgele-
genheid worden eisen vastgesteld met betrekking tot de kennis en
bekwaamheden, waaraan moet worden voldaan om als stralingsarts in
het register, bedoeld in het eerste lid, te worden ingeschreven.
4. Bij ministeriële regeling worden eisen vastgesteld met betrekking tot
vaardigheden en bekwaamheden, waaraan moet worden voldaan om als
deskundige in een register als bedoeld in het tweede lid, te worden
ingeschreven. De eisen kunnen verschillend worden vastgesteld voor de
verschillende taken.
5. Een inschrijving in een register als bedoeld in het eerste en tweede
lid, kan worden geweigerd of ingetrokken, indien niet of niet volledig
voldaan is aan de bij of krachtens de wet of dit besluit gestelde eisen.
6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor:
a. de aanwijzing en het beheer van registers als bedoeld in het eerste
en tweede lid;
b. de wijze van inschrijving;
c. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot inschrijving
worden verstrekt;
d. de vergoeding die ten hoogste voor de inschrijving is verschuldigd;
e. de gronden waarop en de gevallen waarin de inschrijving kan
worden geweigerd of doorgehaald.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor:
a. de aanwijzing van een instelling als bedoeld in artikel 69a van de wet;
Staatsblad 2001 397
6

Page 7
b. de gronden waarop die instelling kan worden aangewezen of de
aanwijzing kan worden gewijzigd of ingetrokken;
c. de gegevens en het verslag, bedoeld in artikel 69b van de wet, die de
instelling aan Onze Ministers verstrekt en de wijze waarop die informatie
wordt verstrekt.
Artikel 8
1. Een dosimetrische dienst heeft tot taak het verstrekken van persoon-
lijke controlemiddelen aan de ondernemer ten behoeve van A- of
B-werknemers en het, door het uitlezen van deze controlemiddelen,
bepalen in welke mate de A- of B-werknemers aan ioniserende straling
blootgesteld zijn geweest. Deze taak wordt slechts verricht door een
dienst die als zodanig is erkend door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
2. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgele-
genheid worden eisen vastgesteld met betrekking tot de kwaliteit van de
dienstverlening, de werkwijze en de deskundigheid van de dienst,
waaraan moet worden voldaan om krachtens het eerste lid te kunnen
worden erkend.
Artikel 9
1. De ondernemer zorgt ervoor dat een handeling wordt uitgevoerd
door of onder toezicht van een deskundige.
2. Bij ministeriële regeling kan voor bepaalde handelingen een bepaald
niveau van deskundigheid worden geëist.
3. De bepalingen in dit besluit met betrekking tot de deskundigheid
gelden niet voor handelingen die volgens dit besluit niet meldingsplichtig
of vergunningplichtig zijn.
4. De ondernemer legt de toedeling van bevoegdheden en verantwoor-
delijkheden met betrekking tot de bescherming tegen ioniserende straling
schriftelijk vast.
Artikel 10
1. De ondernemer zorgt ervoor dat door of onder toezicht van een
deskundige, met het oog op de bescherming tegen ioniserende straling,
ten minste:
a. de plannen voor handelingen voorafgaand aan de uitvoering ervan
kritisch worden bestudeerd, de risico's ervan geïnventariseerd en
geëvalueerd en toestemming verleend, voordat met de handeling wordt
aangevangen;
b. wordt geadviseerd over de beveiligingsmiddelen en technieken ter
waarborging van een doelmatige bescherming van personen;
c. regelmatig, maar ten minste eenmaal per jaar de doeltreffendheid en
het juiste gebruik van de beveiligingsmiddelen en technieken worden
geverifieerd;
d. regelmatig, maar ten minste eenmaal per jaar de goede werking en
het juiste gebruik van bronnen en instrumenten voor meting van
ioniserende straling worden gecontroleerd;
e. deze instrumenten regelmatig worden gekalibreerd.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat een nieuwe of gewijzigde bron niet
in gebruik wordt genomen dan na een acceptatietest door de deskundige,
gevolgd door diens toestemming om de bron in gebruik te nemen.
3. Voor zover het de bescherming van de blootgestelde werknemer
betreft worden de bevindingen van de deskundige vastgelegd in het kader
van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de
Arbeidsomstandighedenwet 1998.
Staatsblad 2001 397
7

Page 8
Artikel 11
1. De ondernemer stelt, na overleg met de deskundige, maatregelen
vast om schade tegen te gaan en zorgt ervoor dat deze worden uitge-
voerd.
2. De ondernemer zorgt ervoor ten aanzien van bronnen, beveiligings-
middelen en meetinstrumenten dat:
a. daaraan het noodzakelijke onderhoud wordt verricht;
b. de noodzakelijke maatregelen worden genomen om inadequate of
defecte onderdelen daarvan te verbeteren of te vervangen, en
c. indien nodig, tot buitengebruikstelling van bronnen wordt
overgegaan.
3. De ondernemer stelt financiële middelen en faciliteiten voor een
passende bescherming tegen ioniserende straling ter beschikking aan de
personen of de stralingsbeschermingseenheid, bedoeld in artikel 12, die
met de uitvoering van die bescherming zijn belast.
Artikel 12
1. Bij ministeriële regeling worden ondernemers, soorten onderne-
mingen of locaties aangewezen, waarin een stralingsbeschermings-
eenheid, waarin tevens de deskundige werkzaam is, aanwezig is en
worden regels gesteld voor de taken, bevoegdheden en werkwijze van
een stralingsbeschermingseenheid.
2. Indien een stralingsbeschermingseenheid op grond van het eerste lid
is voorgeschreven, zorgt de ondernemer ervoor dat de stralings-
beschermingseenheid operationeel is en in ieder geval:
a. daarin voldoende deskundige personen werkzaam zijn;
b. functioneel en organisatorisch gescheiden is van productie- en
technische eenheden;
c. aan hem adviezen verstrekt met betrekking tot de bescherming tegen
ioniserende straling;
d. toestemming geeft voor een handeling.
3. Onze Ministers kunnen toestaan dat een stralingsbeschermings-
eenheid als bedoeld in het eerste lid, voor verscheidene ondernemers
taken verricht.
Artikel 13
1. De ondernemer zorgt ervoor dat een handeling waarbij het
voorzienbaar is dat personen onbedoeld aan overmatige uitwendige
bestraling of overmatige inwendige besmetting kunnen worden blootge-
steld, slechts wordt verricht nadat een deskundige is geraadpleegd.
2. Indien naar het oordeel van een deskundige de blootstelling, bedoeld
in het eerste lid, zich voordoet of dreigt voor te doen, zorgt de onder-
nemer ervoor dat onmiddellijk:
a. de handeling wordt gestaakt;
b. de gevaarlijke plaatsen worden ontruimd;
c. worden verwittigd:
1°. de betrokken stralingsarts, indien overmatige uitwendige bestraling
of overmatige inwendige besmetting van een werknemer heeft plaatsge-
vonden;
2°. indien het een radiologische verrichting betreft, de ter plaatse
bevoegde Inspecteur voor de Gezondheidszorg;
3°. indien het arbeidsaspecten betreft, de regiodirecteur;
4°. indien het milieuaspecten betreft, de hoofdinspecteur voor de
milieuhygiëne;
5°. indien het mijnbouw betreft, de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
3. De ondernemer beëindigt een maatregel als bedoeld in het tweede
Staatsblad 2001 397
8

Page 9
lid, onder a of b, niet dan in overeenstemming met de deskundige of met
toestemming van de in het tweede lid, onder c, bedoelde personen.
Artikel 14
1. De ondernemer zorgt ervoor dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk
wordt voorkomen dat radioactieve stoffen of toestellen zoekraken, worden
ontvreemd of ongewild worden verspreid.
2. De ondernemer doet bij zoekraken, ontvreemding of ongewilde
verspreiding van een bron onmiddellijk mededeling in ieder geval aan de
hoofdinspecteur voor de milieuhygiëne en aan de regiodirecteur en,
indien het mijnbouw betreft, tevens aan de Inspecteur-Generaal der
Mijnen.
3. De ondernemer zorgt ervoor dat radioactieve stoffen of toestellen
zoveel als redelijkerwijs mogelijk zijn beveiligd tegen brand.
§ 3.2 Voorlichting en instructie
Artikel 15
1. De ondernemer zorgt ervoor dat degene die een handeling verricht,
en degene die daaraan leiding geeft of daarop toezicht houdt, met
betrekking tot de werkplek:
a. voldoende is onderricht met betrekking tot de risico's die verbonden
zijn aan ioniserende straling;
b. is geïnformeerd over de algemeen gangbare methoden ter
bescherming tegen ioniserende straling en de te nemen voorzorgsmaatre-
gelen zowel voor de handeling in het algemeen, als voor de taak die hem
wordt toegewezen en voor elke werkplek waar de handeling wordt
verricht;
c. is geïnformeerd over het belang zich aan de technische,
gezondheids- en administratieve voorschriften te houden.
2. De ondernemer stelt met betrekking tot de in het eerste lid
genoemde onderwerpen schriftelijke instructies vast en verstrekt deze
instructies aan personen als bedoeld in het eerste lid en aan anderen die
kunnen worden blootgesteld door de handelingen.
Artikel 16
De ondernemer zorgt ervoor dat vrouwen die ten gevolge van een
handeling kunnen worden blootgesteld aan ioniserende straling voor
aanvang van het verrichten van handelingen zijn geïnformeerd over:
a. de noodzaak om een zwangerschap in een vroeg stadium te melden;
b. de risico's van blootstelling aan ioniserende straling voor het
ongeboren kind door uitwendige bestraling of besmetting;
c. de risico's die een kind dat borstvoeding krijgt, loopt bij besmetting
van de moeder.
Artikel 17
De ondernemer zorgt ervoor dat de werknemers meewerken aan het
voor hen georganiseerde onderricht en de instructies naleven die hen
ingevolge dit besluit worden verstrekt.
§ 3.3 Voorschriften voor toestellen en radioactieve stoffen
Artikel 18
1. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot toestellen:
a. een zodanige afscherming is aangebracht dat de straling die naar
Staatsblad 2001 397
9

Page 10
buiten treedt, uitgezonderd op de plaats van de opening bestemd voor het
naar buiten treden van de nuttige stralenbundel, zo weinig als redelij-
kerwijs mogelijk schade kan toebrengen. Deze afschermingseisen gelden
niet:
1°. voor het testen van een toestel;
2°. voor röntgenbuizen tot een maximale hoogspanning van meer dan
300 kV, indien deze worden gebruikt in een speciaal daarvoor ingerichte
plaats, of
3°. tijdens reparatie, onderhoud of onderzoek met röntgenbuizen
opgesteld in laboratoria of beproevingsruimten, mits maatregelen zijn
genomen waardoor schade ten gevolge van uitwendige bestraling zoveel
als redelijkerwijs mogelijk wordt voorkomen;
b. een tubus of een ander middel dat de grootte van de nuttige
stralenbundel bepaalt, dezelfde mate van bescherming tegen straling
waarborgt als het omhulsel van een toestel;
c. een toestel en de bijbehorende hulp- en beveiligingsmiddelen
zodanig zijn opgesteld en afgeschermd dat personen zich niet aan de
primaire stralenbundel behoeven bloot te stellen, tenzij bij het ondergaan
van een radiologische verrichting;
d. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, maatregelen
worden getroffen ten aanzien van de opstelling en werkwijze van een
toestel om te voorkomen dat door verstrooide straling schade wordt
toegebracht;
e. een toestel niet door onbevoegden in werking kan worden gesteld;
f. regelmatig van ieder toestel de goede werking met het oog op de
bescherming tegen ioniserende straling wordt gecontroleerd;
2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan nadere
regels stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
Artikel 19
1. Onverminderd artikel 18 zorgt de ondernemer er ter bescherming
van werknemers en van leden van de bevolking voor dat toestellen voor
diagnostisch of therapeutisch gebruik voor radiologische verrichtingen of
in de veterinaire praktijk voldoen aan de eis dat bij gesloten opening het
omgevingsdosisequivalenttempo van de door het omhulsel naar buiten
tredende straling, gemeten bij een maximale hoogspanning en de daarbij
behorende continu toelaatbare stroom op een meter afstand van het
focus, niet meer bedraagt dan 1 mSv per uur bij toestellen voor diagnos-
tisch gebruik of 10 mSv per uur bij toestellen voor therapeutisch gebruik.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat personen tijdens een radiologische
verrichting of bij een veterinaire diagnostische of therapeutische
verrichting met ioniserende straling, uitgezonderd degene die de
verrichting ondergaat, zich achter een afscherming van voldoende
stralenverzwakkend vermogen of buiten de ruimte waar het onderzoek
plaatsvindt bevinden of dat aan hen doelmatige persoonlijke
beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld.
Artikel 20
1. De ondernemer zorgt ervoor dat, in situaties waar ten gevolge van
handelingen of werkzaamheden de in artikel 49 of 76 genoemde doses
kunnen worden overschreden, op daarvoor geschikte plaatsen doelmatige
en duidelijke waarschuwingsborden of -tekens en opschriften worden
aangebracht.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat ruimten en plaatsen waar hande-
lingen met open bronnen worden verricht, de inrichting daarvan of daarin
gebruikte voorwerpen regelmatig volgens door hem schriftelijk vastge-
stelde procedures worden gecontroleerd op besmetting.
3. De ondernemer zorgt ervoor dat wanneer open en ingekapselde
Staatsblad 2001 397
10

Page 11
bronnen niet worden gebruikt, deze, indien dit redelijkerwijs mogelijk is,
worden opgeborgen in een daartoe geschikte bergplaats.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het model, de opschriften en de minimale grootte van de
waarschuwingsborden of -tekens, bedoeld in het eerste lid, en waar en op
welke wijze deze moeten worden aangebracht.
HOOFDSTUK 4. MELDINGEN, VERGUNNINGEN, AANVRAGEN EN
PROCEDURES
§ 4.1 Meldingen van handelingen met toestellen
Artikel 21
1. De ondernemer die een handeling verricht met een toestel meldt dit
ten minste drie weken tevoren overeenkomstig de artikelen 40 en 41.
2. Deze verplichting geldt niet indien het een handeling betreft met:
a. een toestel waarvoor ingevolge dit besluit een vergunning is vereist;
b. een elektronenstraalbuis voor visuele beeldweergave;
c. een ander toestel dan bedoeld onder a of b met een maximale
hoogspanning van niet meer dan 30 kV, dat onder normale bedrijfsom-
standigheden op 0,1 meter afstand van enig bereikbare buitenzijde van
het toestel geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan
1 µSv per uur;
d. een ander toestel dan bedoeld onder a, b of c, dat onder normale
bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig bereikbare
buitenzijde van het toestel geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo
veroorzaakt dan 1 µSv per uur en dat behoort tot een type dat door Onze
Ministers is goedgekeurd op grond van bij ministeriële regeling gestelde
regels.
Artikel 22
Indien met een toestel geen handelingen meer worden verricht die zijn
gemeld overeenkomstig artikel 21, meldt de ondernemer dit overeen-
komstig de artikelen 40 en 42 binnen drie weken na het beëindigen van de
handeling.
§ 4.2 Vergunningen voor handelingen
Artikel 23
1. Het is verboden zonder vergunning een handeling te verrichten met:
a. een toestel voor:
1°. industriële radiografie;
2°. bewerking van Producten;
3°. onderwijsdoeleinden;
4°. blootstelling van personen en dieren voor therapeutische
doeleinden;
b. een ander toestel dan bedoeld onder a met een maximale
hoogspanning van 100 kV of meer;
c. een toestel dat deeltjes versnelt en ioniserende straling met een
energie van meer dan 1 MeV kan uitzenden.
2. Het is voorts verboden zonder vergunning onderzoeks- en ontwikke-
lingswerk te verrichten aan een toestel.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:
a. handelingen met elektronenmicroscopen;
b. het uitsluitend in opslag hebben van toestellen ten behoeve van de
handel in deze toestellen;
Staatsblad 2001 397
11

Page 12
c. een toestel dat wordt gebruikt voor onderwijsdoeleinden, dat onder
normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig
bereikbare buitenzijde van het toestel geen hoger omgevingsdosis-
equivalenttempo veroorzaakt dan 1 µSv per uur en dat behoort tot een
type dat door Onze Ministers is goedgekeurd op grond van bij ministeriële
regeling gestelde regels.
Artikel 24
Het is verboden zonder vergunning:
a. radioactieve stoffen toe te dienen aan personen en, voor zover het de
bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren
voor:
1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
b. radioactieve stoffen toe te voegen aan Producten, bestemd voor
gebruik op of in de directe omgeving van personen;
c. met radioactieve stoffen handelingen te verrichten voor:
1°. industriële radiografie;
2°. bewerking van Producten;
3°. onderwijsdoeleinden en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 25
1. Het is verboden zonder vergunning een andere handeling dan
bedoeld in artikel 24 of 37, niet zijnde een lozing, met een radioactieve stof
te verrichten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid en in artikel 24, onder c, geldt
niet indien binnen een locatie:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof
lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, genoemde waarde, of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in bijlage 1,
tabel 1, genoemde waarde.
3. Indien een radioactieve stof meer soorten radionucliden bevat, wordt
de activiteitsconcentratie van de radionucliden gewogen gesommeerd
volgens de in bijlage 3 aangegeven methode. Aan het tweede lid, onder b,
wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie kleiner of gelijk aan
1 is.
4. Indien binnen een locatie op enig moment meer handelingen
plaatsvinden, worden de activiteiten van de radionucliden in de bij die
handelingen betrokken radioactieve stoffen gewogen gesommeerd
volgens de in bijlage 3 aangegeven methode. Aan het tweede lid, onder a,
wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie kleiner of gelijk aan
1 is.
5. Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling handelingen met
Producten als bedoeld in artikel 24, onder b, aanwijzen, waarbij de aan
deze Producten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een
sommatie als bedoeld in het derde lid.
6. De verboden, bedoeld in het eerste lid en in de artikelen 23 en 24,
gelden niet voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen die
een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
7. Bij ministeriële regeling kunnen andere methoden worden aange-
wezen voor het bepalen en het toetsen van de schade in gevallen waarin
de in het tweede lid bedoelde activiteitsconcentratie in combinatie met de
in het tweede lid bedoelde activiteit geen juiste indicatie geeft van de
schade die de bij de handeling betrokken radioactieve stoffen kunnen
veroorzaken.
8. Bij ministeriële regeling kan in afwijking van het tweede lid, het
eerste lid van toepassing worden verklaard in geval er sprake is van een te
hoog risico van blootstelling van werknemers en leden van de bevolking.
Staatsblad 2001 397
12

Page 13
Artikel 26
1. Het in artikel 25, eerste lid, gestelde verbod geldt tevens niet voor
handelingen met een ingekapselde bron waarbij de in bijlage 1, tabel 1,
genoemde waarden voor de activiteit en de activiteitsconcentratie worden
overschreden, indien:
a. deze van een door Onze Ministers goedgekeurd type is, en
b. deze onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter van enige
bereikbare buitenzijde daarvan geen hogere omgevingsdosisequivalent
kan geven dan 1 µSv per uur.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot keuringen als bedoeld in het eerste lid, onder a, en voor de
opslag en de verwijdering van ingekapselde bronnen als bedoeld in het
eerste lid.
§ 4.3 Aanwijsinstrumenten
Artikel 27
In afwijking van de artikelen 24, onder b, en 25 is het verboden:
a. voor verlichtingsdoeleinden radionucliden toe te voegen aan een
aanwijsinstrument;
b. handelingen te verrichten met het aanwijsinstrument waaraan voor
verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd.
Artikel 28
De in de artikelen 24, onder b, en 27, gestelde verboden gelden niet
indien:
a. het een aanwijsinstrument betreft;
b. uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf wordt,
onderscheidenlijk is toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden;
c. het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan 1 GBq
H-3 of 10 MBq Pm-147;
d. het aanwijsinstrument voldoet aan in het belang van de bescherming
tegen ioniserende straling bij ministeriële regeling gestelde voorschriften
met betrekking tot de constructie;
e. geen herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht,
waarbij een onderdeel van het aanwijsinstrument, waaraan voor
verlichtingsdoeleinden H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf is
toegevoegd, van zijn omhulsel wordt ontdaan; en
f. niet meer dan 100 aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtings-
doeleinden H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf is toege-
voegd, voorhanden zijn.
Artikel 29
1. De in artikel 27 gestelde verboden gelden niet indien:
a. het een aanwijsinstrument betreft;
b. uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf wordt,
onderscheidenlijk is toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden;
c. het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan 3 GBq
H-3 of 30 MBq Pm-147, en
d. voldoet aan in het belang van de bescherming tegen ioniserende
straling bij ministeriële regeling gestelde voorschriften met betrekking tot
de constructie.
2. Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de in de
artikelen 24, onder b, 25, eerste lid, en 27 gestelde verboden, indien het
aanwijsinstrumenten betreft waaraan voor verlichtingsdoeleinden
radionucliden zijn toegevoegd en die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn
Staatsblad 2001 397
13

Page 14
voor gebruik bij de krijgsmacht en die zijn bedoeld voor gebruik onder
operationele omstandigheden.
Artikel 30
1. De in de artikelen 25 en 27, onder b, gestelde verboden gelden niet
voor het voorhanden hebben, toepassen of zich ontdoen van een
aanwijsinstrument dat voor verlichtingsdoeleinden minder dan 56 kBq
Ra-226+ of minder dan 0,93 GBq H-3 in lichtgevende verf bevat door
detailhandelaren of particulieren, noch voor het herstellen of onder-
houden van zodanige instrumenten door de ondernemer, voor zover die
instrumenten voor het tijdstip waarop dit verbod in werking treedt, zijn
vervaardigd en in Nederland in de handel zijn gebracht.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat na herstel- of onderhoudswerkzaam-
heden aan een aanwijsinstrument als bedoeld in het eerste lid:
a. een bij ministeriële regeling vast te stellen waarschuwingsteken voor
ioniserende straling is aangebracht op een vanaf de buitenzijde van het
instrument zichtbare plaats;
b. het merkteken T 25 of Ra 1,5 onderscheidenlijk voor H-3 en Ra-226+
in lichtgevende verf, is aangebracht op een vanaf de buitenzijde van het
instrument zichtbare plaats.
3. Het in artikel 27, onder b, gestelde verbod geldt niet voor aanwijs-
instrumenten, waaraan radioactieve nucliden zijn toegevoegd voor
verlichtingsdoeleinden, indien dit aanwijsinstrument voorhanden is voor
een tentoonstelling of de ondernemer zich ervan ontdoet na een tentoon-
stelling.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de voorschriften die kunnen worden verbonden aan een
vergunning voor handelingen als bedoeld in het derde lid.
Artikel 31
1. De ondernemer controleert na het voor verlichtingsdoeleinden
toevoegen van radioactieve stoffen aan aanwijsinstrumenten of deze
aanwijsinstrumenten voldoen aan de bij en krachtens de artikelen 28 of 29
gestelde voorschriften.
2. De ondernemer tekent de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde
controles en de resultaten daarvan aan in een daartoe bestemde
administratie.
3. Onze Ministers kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde
verplichtingen ontheffing verlenen, indien de ondernemer ten genoegen
van Onze Ministers aantoont dat de in het eerste en tweede lid bedoelde
controles en administratie door een ander worden uitgevoerd.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde administratie wordt ten
minste vijf jaar bewaard.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 32
De ondernemer zorgt ervoor dat op een aanwijsinstrument waaraan H-3
in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf voor verlichtingsdoeleinden is
toegevoegd, op een vanaf de buitenzijde van het instrument zichtbare
plaats is aangebracht:
a. een waarschuwingsteken als bedoeld in artikel 30, tweede lid, onder
a; b. indien het betreft een aanwijsinstrument als bedoeld in artikel 29 het
merkteken voor T 3 GBq of Pm 30 MBq onderscheidenlijk voor H-3 in
lichtcellen en Pm-147 in lichtgevende verf.
Staatsblad 2001 397
14

Page 15
Artikel 33
De ondernemer zorgt ervoor dat na herstel- of onderhoudswerkzaam-
heden aan een aanwijsinstrument waaraan radionucliden voor
verlichtingsdoeleinden zijn toegevoegd:
a. ten gevolge van die herstel- en onderhoudswerkzaamheden geen
afwijkingen van de bij en krachtens de artikelen 28 en 29 gestelde
voorschriften zijn ontstaan;
b. het krachtens artikel 30, tweede lid, onder a, vastgestelde waarschu-
wingsteken voor ioniserende straling is aangebracht op een vanaf de
buitenzijde van het instrument zichtbare plaats;
c. het in de artikelen 30, tweede lid, onder b, onderscheidenlijk 32,
onder b, genoemde merkteken is aangebracht.
Artikel 34
Het is verboden buiten Nederland vervaardigde aanwijsinstrumenten,
waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd,
voorhanden te hebben met het doel deze binnen Nederland in de handel
te brengen, indien deze niet voldoen aan de bij en krachtens de artikelen
28, 29, 31 en 32 gestelde voorschriften.
§ 4.4 Vergunningen en voorschriften inzake zich ontdoen van radioactieve
stoffen
Artikel 35
1. Het is verboden zich zonder vergunning te ontdoen van radioactieve
stoffen door middel van lozing in de lucht, in het openbare riool of in het
oppervlaktewater.
2. Dit verbod geldt niet indien:
a. bij lozing in de lucht, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar
geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van de locatie
via een lozingspunt lager is dan 1 radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie
als bedoeld in bijlage 2;
b. bij lozing in het openbare riool, de activiteit van de in totaal in een
kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten
van de locatie via een lozingspunt lager is dan 10 radiotoxiciteits-
equivalent voor ingestie als bedoeld in bijlage 2;
c. bij lozing in het oppervlaktewater, de activiteit van de in totaal in een
kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten
van de locatie via een lozingspunt lager is dan 0,1 radiotoxiciteits-
equivalent voor ingestie als bedoeld in bijlage 2.
3. Het is verboden radioactieve stoffen te lozen in de bodem.
4. Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet voor het lozen in de
bodem, wanneer de geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het
verlaten van het lozingspunt minder bedraagt dan 10
-6
radiotoxiciteits-
equivalent voor ingestie als bedoeld in bijlage 2.
5. Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet voor het lozen van
productiewater bij mijnbouw, indien dit geschiedt door middel van
injecteren naar een soortgelijke bodemformatie en diepte als waaruit het
water afkomstig is en op zodanige wijze dat het water niet in andere
watervoerende lagen komt.
6. De geloosde hoeveelheden, uitgedrukt in radiotoxiciteits-
equivalenten, worden gecorrigeerd voor fysisch verval door middel van
de correctiefactoren zoals aangegeven in bijlage 2.
Staatsblad 2001 397
15

Page 16
Artikel 36
1. De ondernemer die een handeling verricht, zorgt ervoor dat, zoveel
als redelijkerwijs mogelijk is:
a. het ontstaan van radioactieve afvalstoffen wordt voorkomen of
beperkt,
b. bronnen na gebruik als zodanig opnieuw worden gebruikt,
c. radioactieve stoffen en materialen waaruit een bron bestaat, na
gebruik ervan opnieuw worden gebruikt, of
d. voorwerpen, stoffen en materialen die met radioactieve stoffen zijn
besmet of geactiveerd, na gebruik ervan zodanig worden bewerkt dat ze
opnieuw kunnen worden gebruikt.
2. Bij het vervaardigen van bronnen wordt gebruik gemaakt van stoffen
en materialen die na gebruik van de bron geen of zo min mogelijk
nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken.
3. De ondernemer zorgt er voor dat een handeling zoveel als mogelijk is
wordt verricht op een wijze waardoor de bescherming tegen schade is
gewaarborgd.
Artikel 37
1. Het is verboden zich zonder vergunning te ontdoen van radioactieve
stoffen voor product- of materiaalhergebruik of van radioactieve afval-
stoffen.
2. Het verbod geldt niet indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stoffen
in een kalenderjaar in totaal lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, genoemde
waarde, of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in bijlage 1,
tabel 1, genoemde waarde.
3. Artikel 25, derde, vierde, zesde en zevende lid, is van overeenkom-
stige toepassing.
4. Het verbod geldt tevens niet indien het ingekapselde bronnen betreft,
die worden teruggenomen door degene die de bron heeft vervaardigd of
geleverd.
5. Het verbod geldt tevens niet indien het een feitelijke levering betreft
van radioactieve stoffen door enkele overgave aan een derde met het oog
op:a. gebruik, product- of materiaalhergebruik van radioactieve stoffen, of
b. inzameling van radioactieve afvalstoffen.
6. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan een door Onze
Ministers aangewezen instelling voor ontvangst van in bezit genomen
radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de wet.
7. Het verbod geldt tevens niet voor het zich ontdoen van radioactieve
afvalstoffen door afgifte aan een door Onze Ministers erkende ophaal-
dienst voor radioactieve afvalstoffen.
8. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan door Onze Ministers
aangewezen instellingen voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen.
9. Het vierde tot en met achtste lid gelden alleen indien de ondernemer
zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is van een
vergunning voor de desbetreffende handeling of anderszins gerechtigd is
deze stoffen te ontvangen.
Artikel 38
1. Een radioactieve stof kan door Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of de ondernemer als radioactieve
afvalstof worden aangemerkt, indien voor deze stof geen gebruik of
product- of materiaalhergebruik is voorzien door Onze Minister of door de
ondernemer en er geen sprake is van lozing van de stof.
Staatsblad 2001 397
16

Page 17
2. Een afvalstof wordt niet als radioactieve afvalstof aangemerkt, indien
artikel 37, tweede lid, van toepassing is.
3. Radioactieve afvalstoffen worden zo snel als redelijkerwijs mogelijk
afgevoerd.
4. De in het derde lid gestelde verplichting geldt niet indien de
radioactieve afvalstoffen een fysische halveringstijd hebben van minder
dan 100 dagen en maximaal 2 jaar worden opgeslagen in een daartoe
geschikte ruimte met het oog op fysisch verval tot afvalstoffen als bedoeld
in artikel 37, tweede lid.
5. Het is verboden radioactieve afvalstoffen te mengen met het doel de
activiteitsconcentratie van de stoffen beneden de in bijlage 1, tabel 1,
bedoelde waarden te brengen.
§ 4.5 Weigering vergunning
Artikel 39
Geen vergunning krachtens dit hoofdstuk wordt verleend indien:
a. niet aan de voorwaarden van de artikelen 4, 5, 6 en 48 betreffende
rechtvaardiging, optimalisatie en dosislimieten is voldaan;
b. voor een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie bevindt, als
gevolg van de handeling waarvoor de vergunning is aangevraagd en ten
gevolge van andere handelingen binnen en buiten deze locatie, een van
de volgende doses wordt overschreden:
1°. een effectieve dosis van 1 mSv in een kalenderjaar en met
inachtneming daarvan:
2°. een equivalente dosis van 50 mSv in een kalenderjaar voor de huid
gemiddeld over enig huidoppervlak van 1 cm
2
;
c. de handeling waarvoor de vergunning is aangevraagd behoort tot
een categorie die op grond van de minister