|
In Nederland gaan stemmen op voor de bouw van nieuwe centrales, Belgié
TEKST: ROBBERT VERMUE
De ramp in Tsjernobyl in 1986 leek de genadeslag voor de kernindustrie.
Er werden geen nieuwe centrales meer gebouwd, de bestaande zouden openblijven
tot het einde van hun voorziene levensduur. Maar de mondiale vraag naar
energie blijft explosief groeien, de wereld raakt door haar fossiele
brandstoffen heen en de opwarming van de aarde vraagt om een duurzaam
antwoord. Is kernenergie de oplossing?
Sinds Tsjernobyl is serieus werk gemaakt van het zoeken naar alternatieven.
Met wind, zon, biomassa en waterkracht opgewekte energie wordt inmiddels
op wisselende schaal toegepast. Nu, twintig jaar later, voorzien deze
bronnen wereldwijd in zo'n 18 procent van de stroom. Maar vanwege de noodzakelijke
grote investeringen en het beperkte rendement hangt aan de 'hernieuwbare'
energiebronnen nog een stevig prijskaartje. De meeste wetenschappers
zijn het erover eens dat de aarde opwarmt door de uitstoot van onder meer
kooldioxide (CO2) bij de verbranding van fossiele brandstoffen, met
alle gevolgen van dien voor het klimaat. De EU-lidstaten hebben zich
met het Kyotoverdrag, dat begin 2005 in werking trad, verplicht de CO2-uitstoot
voor 2012 met gemiddeld 8 procent terug te dringen ten opzichte van het
ijkjaar 1990. De atoomindustrie zag haar kans schoon: bij de productie
van kernenergie komt immers weinig CO2 vrij. Verder zou de bouw van nieuwe
centrales landen voor hun stroomvoorziening minder afhankelijk maken
van een handjevol instabiele staten. "Het conflict over de Russische
gasleverantie aan Oekraïne begin dit jaar heeft in Europa de urgentie
van de voorzieningszekerheid aan het licht gebracht," zegt Stephan
Slingerland van Clingendael, het Instituut voor Internationale Betrekkingen
in Den Haag. In de Verenigde Staten, met 103 operationele kernreactoren
goed voor bijna een kwart van het mondiale aantal, verkondigde president
Bush eind januari in zijn State of the Union dat het land voor zijn energievoorziening
te sterk leunt op het buitenland en dat de overheid daarom onder meer zal
inversteren in ‘schone, veilige kernenergie’. Wetgeving uit 2005 maakt
het investeerders nu al makkelijker leningen aan te gaan. Een consortium
van energiegigant Entergy en reactorbouwers Westinghouse en General
Electric heeft plannen klaar voor de bouw van een nieuwe kerncentrale
in Port Gibson, Mississippi, die in 2015 gereed moet zijn. “Overheden
moeten allereerst helderheid en stabiliteit van beleid verschaffen”,
zegt André Versteegh, directeur van het Nederlandse expertisecentrum
voor nucleaire technologie (NRG) in Petten. “ In de Verenigde Staten
hebben ze dat begrepen. De vergunningsprocedure voor nieuwe centrales
is er relatief kort.”
Andere landen zitten niet stil. Vooral in Azië met zijn snelgroeiende
economieën stijgt de vraag naar stroom explosief. China heeft nu negen
kerncentrales, in 2020 moeten dat er 39 zijn. In India is de behoefte zo
groot dat voor 2020 bijna een vertienvoudiging van de capaciteit wordt
beoogd. Maar ook in Oekraïne en in nieuwe en aanstaande EUlidstaten in
Oost-Europa (Litouwen, Tsjechië, Bulgarije, Roemenië en Slowakije)
zijn nieuwe kernreactoren gepland of reeds in aanbouw. In de rest van
Europa bouwt alleen Finland aan een nieuwe centrale, maar daar zal het
vermoedelijk niet bij blijven. Ook Europa heeft te kampen met een stijgende
energieconsumptie, maatregelen voor efficiënter energieverbruik
ten spijt. Een EU-richtlijn bepaalt dat in 2010 22,1 procent van de stroom
uit hernieuwbare bronnen afkomstig moet zijn, maar dat lijkt onhaalbaar
- al zijn landen als Duitsland, Spanje en Denemarken, met zijn aanzienlijke
windmolenpark, op de goede weg. Frankrijk, dat geen olie- en gasreserves
heeft en derhalve vorige eeuw radicaal koos voor kernenergie (78 procent
van de stroomvoorziening, tegen 35 procent gemiddeld in Europa) broedt
op vervanging van zijn uitgebreide atoompark, en Groot-Brittannië
studeert sinds december op de bouw van nieuwe centrales. Duitsland heeft
zich onder de vorige rood-groene regering vastgelegd op een Atomausstieg,
waaraan de regeringMerkel zich (voorlopig) gebonden acht. Het kernenergiebeleid
in de EU is nog altijd een zaak van de afzonderlijke lidstaten. Binnen
Europa is de noodzaak van kernenergie voor de stroomvoorziening dan
ook heel verschillend. Dat Nederland slechts 4 procent zelf nucleair
opwekt en nog altijd sterk leunt op zijn gasvoorraden, vindt Versteegh
onverstandig met het oog op de toekomst. "Als het gas goedkoper wordt.
zitten wij goed. Wordt het duurder, dan zijn we slecht af." Wel constateert
hij een omslag in het denken over kernenergie: "Tussen 2015 en 2020 moet
er nieuw vermogen komen. Bedrijven wachten nu het juiste moment af, binnen
een paar jaar verwacht ik een privaat initiatief." De Nederlandse regering
besloot in januari dat de (enige) kerncentrale in Borssele tot 2033 mag
openblijven. Met het oog op de klimaatdoelstellingen voor 2020 gaan
er nu binnen het kabinet stemmen op voor de bouw van maximaal drie nieuwe
centrales in de komende tien jaar. Nederland is nu nog voor circa 15 procent
nettoimporteur van (meest nucleair opgewekte) stroom, vooral afkomstig
uit Duitsland, België en Frankrijk. "Nederland heeft te weinig ingezet
op duurzame bronnen," zegt Peer de Rijk, directeur van de World Information
Service on Energy (WISE), een organisatie die zich richt tegen kernenergie.
"Onze energiepolitiek heeft geleid tot meer afhankelijkheid van het
buitenland en het vermogen tot zelfvoorziening ondergraven." "De overheid
voert een marginaal klimaatbeleid," beaamt Pieter Winsemius, Nederlands
milieuminister tijdens de explosie in Tsjernobyl. De ramp leidde destijds
tot een omslag in zijn denken. "Kernenergie is hooguit een stukje van
de oplossing," vindt hij nu. "We moeten liever geen technologie stimuleren
die we niet volledig beheersen."
In België, dat behalve steenkool
geen eigen fossiele bronnen heeft, is de situatie volstrekt anders.
Het beschikt over zeven kernreactoren, in Doel en Tihange, die samen
goed zijn voor 57 procent van de nationale elektriciteitsproductie.
De paarsgroene regering besloot in 2002 echter tot een gefaseerde nucleaire
'uitstap', die in 2025 moet zijn voltooid. 27 kilometer voor de Noordzeekust
moet nu een reusachtig windmolenpark verschijnen met zestig turbines
die vierhonderdduizend gezinnen van groene stroom voorzien. Maar de
komende twintig jaar is er veel meer nodig. "Het park is een druppel op
de gloeiende plaat," zegt Roger Aertsens, adviseur duurzame ontwikkeling
van Fedichem, de Belgische federatie voor chemiebedrijven. "De kosten
zijn hoog en het is zeker geen alternatief voor kernenergie. Hernieuwbare
bronnen maken nu hooguit 10 procent van de totale elektriciteitsconsumptie
uit." "Het windpark zal een van de grote reactoren in Doel kunnen vervangen,"
repliceert Bram Claeys van de Bond Beter Leefmilieu (BBL). "Het park
is een eerste stap in het ten volle exploiteren van het windpotentieel
in de Noordzee " Maar de huidige federale regering - zonder de groene partijen
- aarzelt om verdere vergunningen voor windmolenparken te verlenen
en laat het Federaal Planbureau onderzoeken of de uitstap uit kernenergie
moet worden herzien. Een heilloze weg, weet Claeys: "Investeren in kernenergie
staat de ontwikkeling van duurzame bronnen in de weg." Maar het draagvlak
voor het handhaven van kernenergie neemt toe. Een minieme meerderheid
in zowel België als Nederland is voorstander, blijkt onder meer uit
een in juni 2005 gepubliceerde Eurobarometer. Dreigt nu een soortgelijke
discussie als in de jaren zeventig? Hoe zit het twintig jaar na Tsjernobyl
bijvoorbeeld met de veiligheid van de huidige kerncentrales en de kans
op verspreiding van het restproduct plutonium? In de voormalige Sovjet-Unie
is materiaal uit atoomfaciliteiten 'zoek' geraakt. Zeker sinds 11 september
2001 bestaat de angst dat een deel ervan in verkeerde handen valt. "De
nieuwe centrales zijn relatief veilig," zegt Stephan Slingerland.
"Het meest reëel is nog dat terroristen een vuile bom maken van radioactief
materiaal uit minder beveiligde objecten, zoals ziekenhuizen." Peer
de Rijk is het met hem eens, al zegt hij ook: "De gevolgen van een groot ongeluk
in een centrale zijn zo desastreus dat je het risico niet moet willen nemen."
Een ander strijdpunt is het broeikaseffect. In vergelijking met stroomopwekking
in gascentrales, is de C02-uitstoot bij de productie van nucleaire stroom,
waarbij geen koolwaterstoffen worden verbrand, zo'n dertig maal lager.
Zo blijkt althans uit cijfers van het Internationaal Atoomenergie Agentschap
(IAEA) - zie pagina 152, onderste grafiek. Prominenten als de Nederlandse
oud-premier Ruud Lubbers noemen daarom kernenergie - naast energiebesparing,
investering in hernieuwbare bronnen en de ondergrondse opslag van CO2.
- als een van de duurzame bronnen in de strijd tegen klimaatverandering.
Maar op die duurzaamheid lijkt wel wat af te dingen. "De levenscycli van
fossiele brandstoffen zijn relatief overzichtelijk," zegt chemicus
Jan Willem Storm van Leeuwen, die met fysicus Philip Smith in 2002 een
onderzoek naar de CO2-uitstoot bij de productie van kernenergie publiceerde.
Zijn verrassende conclusie: "De uitstoot kan oplopen tot 30 procent
van die in de aardgascyclus. Bij de bouw en ontmanteling van kerncentrales,
het vervoer en de berging van kernafval en bij de winning van uraniumerts
komen broeikasgassen vrij die niet volledig in de bestaande berekeningen
zijn doorgevoerd. Dat geeft een vertekend beeld." Het onderzoek is internationaal
kritisch besproken, en de meeste deskundigen gaan voorlopig uit van
de cijfers van het IAEA. Wel staat vast dat de voorraden uraniumerts niet
onuitputtelijk zijn. Sommige ertsen zijn relatief uraniumarm. andere
zijn moeilijk te bereiken. Geschat wordt dat bij het huidige productieniveau
de voorraden volstaan voor een periode van naar schatting vijftig jaar.
Snellekweekreactoren, die meer splijtbare stof produceren dan verbruiken
en zo een 'eeuwigdurende' bron van energie zouden zijn, zijn als antwoord
op het probleem van de slinkende uraniumvoorraad voorlopig niet haalbaar
gebleken: prototypen in het Duitse Kalkar en SuperPhénix in Frankrijk
werden gesloten wegens technische complicaties.
Ook voor het afval
is nog altijd geen definitieve oplossing. Hoogradioactief kernafval
heeft een levensduur van maximaal 240.000 jaar. In België wordt het
voor vijftig jaar ondergronds opgeborgen, Nederland slaat het een eeuw
lang bovengronds op. Al vaker is geopperd om al het mondiale afval definitief
op te bergen in diepe, stabiele aardlagen op enkele daarvoor geëigende
locaties. "Politiek is het nog een moeilijke weg, geen land zit immers
op het afval van een ander te wachten," zegt André Versteegh van NRG.
"Maar uit ratio neel oogpunt is het wel de beste oplossing - die we dus blijven
bevorderen." NRG in Petten werkt al geruime tijd aan transmutatie, het
verkorten van de levensduur van radioactieve stoffen tot enkele honderden
jaren. Deze technologie zou straks inwendig in een nieuwe, vierde generatie
reactoren kunnen worden toegepast. In de Amerikaanse staat Idaho wordt
al geëxperimenteerd met een Very High Temperature Reactor (VHTR).
Het gaat nog om een ontwerp, operationele centrales zijn niet eerder
dan in 2030 voorzien. De industrie koestert in elk geval hoge verwachtingen:
de nieuwe reactoren zouden een efficiënter uraniumverbruik hebben
en, belangrijker, 'inherent veilig' zijn omdat ze niet smelten als de
koeling uitvalt. Als splijtstof zou uranium op den duur kunnen worden
vervangen door thorium, dat in grote hoeveelheden op aarde wordt gevonden
en bij bestraling geen plutonium als nevenproduct oplevert. Een voordeel
is verder dat zulke reactoren efficiënt waterstof produceren, dat
bijvoorbeeld kan worden gebruikt in brandstofcellen voor auto's, een
nieuw wapen in de strijd tegen het broeikaseffect. Zelfs de Canadese
ecoloog Patrick Moore, die ooit aan de wieg stond van Greenpeace, noemt
kernenergie voorlopig onontbeerlijk, juist ook vanwege de mogelijkheden
tot opwekking van waterstof. Bram Claeys van de BBL gelooft er niet in:
"Er zijn onrealistisch hoge en snelle investeringen nodig in technologieën
die nog lang niet marktrijp zijn. Wij willen het klimaatprobleem graag
oplossen, maar we willen niet kiezen tussen de pest en de cholera." De
meeste landen vertrouwen voorlopig op diversificatie naar energiebron
en naar herkomst: verschillende soorten, afkomstig van over de hele
wereld. Daarbij is de noodzaak van investeringen in hernieuwbare bronnen
als zonne-energie en vooral windenergie onomstreden. Energiebedrijven
als British Petrol (BP) stoppen grote bedragen in de volwassenwording
van deze technologieën. Tot het zover is, kan kernenergie een deel
van het antwoord zijn op de sterk stijgende mondiale vraag naar stroom,
maar of het een echt duurzame bron kan worden, blijft de vraag.
|