|
Nieuwe kerncentrale brengt oud opslagprobleem mee
De nieuwe Nederlandse kerncentrale wordt vermoedelijk geen ultra-moderne
pebble bed, maar een tamelijk traditioneel Frans-Duits type. Om het
hoogradioactief afval op te bergen, moet de bovengrondse opslagbunker
in Vlissingen worden uitgebreid.
DOOR KEES VERSLUIS
Nederland moet een nieuwe kerncentrale bouwen, betoogde milieu Staatssecretaris
Pieter van Geel vorige week. Daarmee lijkt het kabinet-Balkenende de
anti-kernenergiedoctrine van de vorige kabinetten te willen afschaffen.
Eerder besloot de regering om de bestaande kerncentrale in Borssele
tot 2013 open te houden (de bedoeling was dat de centrale in 2004 zou dichtgaan;
anderhalve maand geleden verlengde Van Geel de termijn zelfs tot 2033.
Als regering en Tweede Kamer instemmen is Nederland het derde land in
West-Europa - na Finland en Frankrijk - dat na de kernramp in Tsjernobil
in 1986 besluit weer een nieuwe reactor te bouwen (als regering en Tweede
Kamer tenminste definitief instemmen) Ondanks de nucleaire stagnatie
van de afgelopen twintig jaar is de technische ontwikkeling van kerncentrales
wel doorgegaan. Zo ligt er op de tekentafels een geheel nieuw type centrale:
de kogelbedredreactor (pebble bed, in het Engels). Die verstookt geen
uraniumstaven, zoals gewone kerncentrales maar Een soort grote biljartballen
van koolstof. Zo’n zwarte bal is weer gevuld met tienduizend piepkleine
ingepakte uraniumkogeltjes en in pIaats van water wordt de kogelbedreactor
met helium gekoeld. Het grote voordeel boven een conventionele reactor
is dat hij "inherent veilig” is, ofwel: er kan per definitie niets misgaan
omdat de reactie van zelf stopt als de temperatuur te hoog oploopt. Zuid-Afrika
en China experimenteren momenteel met relatief kleine kogelbedreactoren.
Toch verwacht André Versteegh, directeur van het nucleair onderzoekscentrum
NRG in Petten, niet dat de nieuwe Nederlandse kerncentrale een kogelbedreactor
wordt. Ten minste, niet als het besluit tot bouw binnen een paar jaar valt.
Dan zal de elektriciteitsproducent volgens hem geneigd zijn te kiezen
voor vertrouwde technologie. Ofwel, een verbeterde versie van de bestaande
reactoren (uit de jaren zeventig en tachtig). Amerikaanse typen. Wat
is er op dat gebied zoal te koop? De Amerikanen hebben een paar typen in
de aanbieding. Zo is er de AP1000, een zogenaamde drukwaterreactor van
fabrikant Westinghouse. Het is een verbeterde versie van de vroegere
PWR (pressurized water reactor). Simpel gezegd komt het erop neer dat
de kernreactie in de centrale water verhit tot 320 graden, dat vanwege
de hoge druk (zo'n 150 bar) niet gaat koken. Via een warmtewisselaar wordt
de hitte overgebracht op water dat onder lagere druk staat en dus wél
onmiddellijk begint te koken. De stoom die hierbij ontstaat drijft een
turbine aan die elektriciteit opwekt. De meeste bestaande kerncentrales
in de wereld zijn van dit drukwatertype. De nieuwe AP1000 is nog niet gebouwd,
al liggen er in Amerika wel plannen klaar. De Amerikaanse fabrikant General
Electric verkoopt twee typen reactoren die iets simpeler zijn. Zijn
Advanced Boiling Water Reactor (ABWR) is een zogenoemde kokendwaterreactor.
Het verschil met een drukwaterreactor is dat de tussenstap met de warmtewisselaar
ontbreekt. Het water dat door de kernreactie verhit wordt, begint wel
te koken, en de ontstane stoom drijft direct de turbine aan. In Japan is
reeds een Amerikaanse ABWR-centrale in bedrijf. Inmiddels heeft General
Electric een andere variant ontwikkeld: de Economic and Simplified
Boiling Water Reactor (ESBWR). Overigens stond de in 1997 gesloten Nederlandse
mini-kerncentrale in Dodewaard model voor de ESBWR. Het grootste nadeel
van het nieuwe ding: hij is nog nooit gebouwd. Europese troef Wel
in aanbouw is de nieuwe Frans-Duitse troef op reactorgebied: de European
Pressurized Water Reactor (EPR). Net als de Amerikaanse concurrenten
is het een verbeterde variant van de centrales uit de jaren zeventig en
tachtig (de EPR is van het drukwatertype). Dat de Fransen voor hun nieuwe
reactor in het Normandische Flamanville voor het consortium van Framatome
en Siemens gekozen hebben, behoeft geen betoog. Maar ook de Finnen - die
al in 2004 begonnen met de bouw - kozen na rijp beraad voor de Europese reactor.
Versteegh verwacht dat ook de nieuwe Nederlandse centrale een EPR wordt.
Niet omdat de Amerikaanse centrales niet goed zijn, maar omdat een Europese
centrale om chauvinistische redenen eenvoudig een streepje voor heeft.
'Ook ik zou dat een logische keuze vinden', zegt de directeur van het Pettense
onderzoekslab: De EPR heeft echter een nadeeltje: het is een forse centrale
van zo'n 1600 tot 1700 megawatt. Dat is drie tot vier keer de capaciteit
van de huidige centrale in Borssele (480 megawatt). Het is de vraag of
Nederland zoveel extra elektriciteit nodig heeft. In de meeste plannen
voor een nieuwe Nederlandse energiecentrale - als er geen kerncentrale
komt, is er een nieuwe kolen- of gascentrale nodig - wordt gerept van een
capaciteit van 1000 megawatt. Dat hoeft geen probleem te zijn, meent
Versteegh. Komt de centrale bij Delfzijl of naast de bestaande in Borssele,
dan kan de overtollige stroom makkelijk aan Duitsland of België geleverd
worden. Bovendien importeert Nederland nu veel Franse nucleaire stroom;
dat kan misschien verminderd worden. Als de producent per se een 1000
megawatt-centrale wil, kan het EPR-ontwerp bovendien vrij eenvoudig
worden aangepast.
Optie Vlissingen
De hoeveelheid hoogradioactief nucleair afval dat Nederland produceert,
wordt met een nieuwe kerncentrale natuurlijk sterk vergroot. Waar laten
we dat? Het afval van Borssele wordt momenteel opgeslagen in een bunker
op het Vlissingse haventerrein, genaamd Habog. Volgens Versteegh is
daar voorlopig nog voldoende ruimte, maar uiteindelijk zal de bunker
moeten worden uitgebreid. De Habog is in principe bedoeld voor opslag
gedurende honderd jaar (terwijl een deel van het afval tienduizenden
jaren radioactief blijft). Daarna moet duidelijk zijn waar de definitieve
opslagplek komt, vermoedelijk honderden meters diep onder de grond.
Maar het zou verkeerd zijn zo'n plek nu overhaast aan te wijzen, meent
Versteegh. 'Ik denk dat we uiteindelijk toegaan naar twee of drie Europese
ondergrondse bergingen. De politiek groeit naar dat idee toe, ik denk
dat over tien jaar de tijd voor zo'n Europese oplossing rijp is.' Het grote
voordeel daarvan is dat al het afval op de geologisch meest veilige plek
kan worden opgeborgen, en dat bewaking (opgeslagen plutonium mag niet
in verkeerde handen vallen) het beste geregeld is. Op één na - het
Zeeuwse Delta - staan de Nederlandse elektriciteitsbedrijven overigens
niet te trappelen om een nieuwe kerncentrale te bouwen. Een van de redenen
voor de terughoudendheid is de onduidelijke baten van een kerncentrale.
Uit berekeningen van de prestigieuze Amerikaanse universiteit MIT
blijkt bijvoorbeeld dat kernenergie per kilowattuur een stuk duurder
is dan elektriciteit van gas- en kolencentrales (als je de uitstoot van
broeikasgassen bij die laatste centrales tenminste niet in geld uitdrukt).
Dat ligt niet aan de exploitatie van een kerncentrale, die is relatief
goedkoop, maar aan het bouwen. Dat kost een vermogen (een nieuwe EPS-centrale
kost vermoedelijk ruim drie miljard euro). Volgens andere berekeningen
is kernenergie overigens niet duurder dan conventionele elektriciteit,
zeker niet nu de prijs van fossiele brandstoffen gestaag oploopt. Hoewel
een kerncentrale dus een enigszins risicovolle investering is, is de
nieuwe Finse reactor door een private partij neergezet, een consortium
van een aantal grote industrieën die in de toekomst de elektriciteit
van de centrale willen gebruiken. Versteegh verwacht dat ook de nieuwe
Nederlandse centrale alleen een private financier kan vinden, als er
van tevoren langetermijncontracten voor elektricteitslevering met
een aantal grote afnemers afgesloten kunnen worden.
Sommige kernfysici zien kerncentrales overigens liever niet in commerciële
handen komen, en geven er de voorkeur aan dat de overheid bouw en exploitatie
voor haar rekening neemt. Een commerciële uitbater is volgens hen
niet geďnteresseerd in duurzame oplossingen voor het kernafvalprobleem.
Zo wordt er momenteel veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het
'opbranden' van hoog radioactief kernafval. Op laboratoriumschaal
lukt dat in middels maar opbranden kost veel geld. Als het ooit zover komt,
zal de stroomprijs daardoor met zo’n 20% stijgen , blijkt uit voorzichtige
schattingen. Geen commerciële eigenaar zal staan te springen om dat
opbranden te stimuleren. kees.versluis@intermediair.nl
|