[menubar_home]
NRG en nucleair in het nieuws Krantenartikelen
   
 

 
Zoeken in NRG krantenartikelen

De eeuwige keerzijde van de kern. Volkskrant
Door: Michael Persson 18 februari 2006
 

Atoomenergie: Risico's van nucleaire centrales zijn aan het veranderenen verminderen misschien op de lange termijn. Hoe maak je veilige centrales en wat doe je met het afval? Dat zijn nog steeds de twee kritische vragen over kernenergie. Op beide terreinen zijn er ontwikkelingen te melden.

Door Michael Persson

De tijden zijn wel veranderd, verzucht nucleair voorman ir. André Versteegh in Petten. 'Tegenwoordig klagen de mensen meer over windmolens dan over kernenergie.' "En dat, vindt de directeur van Nuclear Research & Consultancy Group (NRG), beheerder van de kernreactor in Petten, is nou ook weer niet de bedoeling. Kritische kanttekeningen blijven absolute noodzaak. 'We moeten niet allemaal juichend langs de weg gaan staan. Want ze zijn er nog steeds, de grote bezwaren tegen kernenergie. Misschien dat ze anders gewogen worden, nu deze energie een oplossing lijkt voor het versterkte broeikaseffect en voor de energieafhankelijkheid van rare landen. Maar nog altijd genereren kerncentrales twee grote problemen: onyeiligheid en afval. Niet dat er op die terreinen niets gebeurt. Op het gebied van de veiligheid zijn de risico's aan het verschuiven van ongevallen naar kwaadaardig opzet. En wat betreft het afval komt heel in de verte re' cycling in beeld. Wat iemand ertoe kan verleiden te denken dat we . misschien beter kunnen wachten met het bouwen van nieuwe centrales. Totdat kernenergie écht de oplossing is. Dat de technische mogelijkheden aan het schuiven zijn wordt weerspiegeld in de nieuwe Kernenergiewet, waarvan het wetsvoorstel vorige maand naar de Tweede Kamer is gestuurd. Want: _'Een vergunning [voor een nieuwe kerncentrale] kan worden geweigerd, indien de in de aanvraag beschreven techniek voor het vrijmaken van kernenergie (...) bij het in werking brengen van de inrichting zal zijn verouderd.' De inschatting van de stand van de techniek is dus cruciaal bij het uitgeven van eventuele toekomstige vergunningen - die staatssecretaris Van Geel deze week ineens bespreekbaar vond.

Borssele Duidelijk is dat een aanvraag voor een tweede Borssele door de nieuwe Kernenergiewet zou worden afgewezen. Borssele is een lichtwaterreactor, waarbij de splijtstofstaven door water worden gekoeld. Deze zogeheten tweede-generatie reactoren kunnen, als het koelsysteem en de noodkoeling uitvallen, door de restwarmte uit de splijtstofstaven oververhit raken. Waarna de reactorkern kan smelten en er radioactieve stoffen in de lucht kunnen komen. Hoewel de kans daarop volgens Borssele-beheerder EPZ slechts eens in de vijf miljoen jaar is, bestaan er inmiddels andere, zogeheten hoge-temperatuurreactoren (HTR), waarbij het risico wordt teruggebracht tot nagenoeg nul. Het uranium zit niet meer in staven, maar in een soort tennisballen die worden gekoeld door langsstromend heliumgas, dat veel heter kan worden dan water. Omdat de reactoren bovendien klein worden gehouden, kan de warmte, zelfs als de koeling stilvalt, altijd wegdiffunderen zonder de reactor te laten smelten. De centrale, waarvan kleine testtypes staan in China en Japan, wordt daarom inherent veilig genoemd. Volgens Versteegh bouwt Zuid-Afrika binnen enkele jaren het eerste prototype. Zo kan ongelukkig toeval worden geminimaliseerd. Wat resteert, is opzet. Kerncentrales kunnen doelwit worden van terreuraanslagen. Volgens EPZ zelf zouden de psychologische gevolgen groter zijn dan de fysieke. Zo zijn de huidige reactorkoepels bestand tegen inslaande vliegtuigen. Terreurgevoeliger is het transport van radioactief materiaal, in verschillende fasen van het nucleaire productieproces. Wie, zoals Borssele, voor opwerking kiest (het scheiden van de radioactieve restproducten uit de kerncentrale, om hergebruik mogelijk te maken), vergroot het aantal benodigde installaties en transporten. 'De mogelijkheden van een aanslag of proliferatie-actie zijn groter naarmate er sprake is van meer nucleaire sites en meer transportbewegingen', staat in het rapport Ontwikkelingen met betrekking tot eindverwerking van gebruikte splijtstof van NRG. Extra complicatie van opwerking is dat er plutonium wordt afgescheiden, wat na diefstal kan fungeren als ingrediënt voor een atoombom. 'Maar de kans op "succes" van een dergelijke inbreuk wordt klein geacht', schrijft NRG. Proliferatie is maar een van de onderdelen van het afvalprobleem. Belangrijkste overkoepelende bezwaar is dat het 130 duizend jaar (volgens een nieuwe berekening tot voor kort was de schatting 240 duizend jaar) duurt voordat de afvalstoffen weer even onschadelijk zijn als uraniumoxide, de stof aan het begin van de nucleaire keten. De voorlopige oplossing is het restafval, vermengd met glas, in staal en beton voor honderd jaar onder de grond op te slaan in het speciaal gebouwde Habog-pakhuis in Borssele. Daarna moet het naar een geologisch stabiele 'eindberging', zoals in ondergrondse zoutlagen. De meeste aardwetenschappers denken dat dit veilig is. 'Maar zelfs al valt rationeel vast te stellen dat het daar veilig ligt', zegt Versteegh, 'dan nog kan ik me

voorstellen dat je gevoelsmatige bezwaren hebt tegen het zo lang in de grond stoppen van dit afval.' Vandaar dat er naarstig wordt gezocht naar mogelijkheden om de levensduur van het afval te verkorten. In Petten denken ze het op termijn terug te kunnen brengen tot nog geen duizend in plaats van ruim honderdduizend jaar. In het huidige procédé resteert na de splijting van honderd kilogram uranium 95 kilo uranium, één kilo plutonium, een onsje minor actiniden (americium, curium en neptunium) en drie kilo hoogradioactieve, kleinere brokstukken, de splijtingsproducten. Die laatste groep is onbehandelbaar en blijft een paar honderd jaar schadelijk. Maar plutonium, met 130 duizend jaar schadelijk effect, en de andere aciniden, met tienduizend jaar, kunnen worden verwerkt, via 'partitioning en transmutatie' (P&T). Dat zou de schadelijke levensduur van radioactief afval tot een paar eeuwen bekorten. Voor plutonium is dat, allang de bedoeling. Na de opwerking (chemische scheiding; van het afval uit Borssele kan het vrijgekomen plutonium, vermengd met uranium, opnieuw als zogeheten MOXbrandstof (mixed oxides, met 8 procent plutonium) , in sommige kernreactoren worden gebruikt. In Borssele kan dat niet, én dus ligt het uit Borssele afkomstige plutonium nu bij de ópwerkingsfabriek ; in La Hague in Frankrijk te wachten op een eindbestemming. Onlangs heeft Borssele het spul officieel 'verkocht' aan LaJHague, waar het overigens geld voor hééft moeten bijleggen.

Plutoniumberg ; Omdat tot dusver meer plutonium wordt geproduceerd dan de MOX-, reactoren aankunnen, en omdat MOX duurder is dan uranium, groeit de plutoniumberg nog steeds. De huidige wereldwijde hoeveelheid bedraagt ongeveer tweehonderd ton, en daar komt jaarlijks tien ton bij. Met 30 procent MOX verbruikt een reactor Ongeveer evenveel plutonium als hij produceert. Met 100 procent |

MOX, doel van de derde-generatie reactor EPR die in Finland wordt; gebouwd, daalt de plutomumvoor raad met een halve ton per reactor perjaar. De andere langlevende afvalstoffen, zoals americium, kunnen niet net als plutonium zomaar worden hergebruikt. Ze moeten met neutronen uit eenspeciale deeltjesversneller worden beschoten om naar andere stoffen (zoals plutonium) te 'transmuteren'. Dit ontwerp bestaat alleen nog op papier, zegt dr. Ir. Ronald Schram van NRG. Grootste probleem is het maken van de splijtstof met americium. Doordat er tijdens de reactie heliumgas ontstaat, zwellen de capsules sterk. Na de eerste tweejarige proeven in Petten waren zwellingen van 30 procent te zien. Als het omhulsel het begeeft, komende radioactieve stoffen in het systeem terecht. 'Niet acceptabel, zegt Schram. Daarom is hij nu bezig met een Europees project om andere materialen voor de capsules te testen. Europa steekt 65 miljoen euro in het transmutatie-onderzoek, dat onder meer moet uitmonden in een experiment waarbij de actiniden in een gewone reactor (wellicht Borssele) worden verbrand. Het project duurt zeker tien jaar. Het achteraf verbranden van verglaasd 'afval, zoals dat nu uit Borssele komt is echter onmogelijk. Wie dus wel.kerenergie wil, maar geen prijs stelt op 130 duizend jaar stralend afval, zou met opwerken en verglazen moeten wachten. Is dat het wachten waard ? Schram: “Dat ligt aan hoe belangrijk je het afval vindt”

Steekspel Met een proces in Frankrijk probeert Greenpeace de opwerking van de nucleaire restproducten uit Borssele stop te zetten. De milieuorganisatie vindt dat een uitspraak van de hoogste Franse rechter, die de tijdelijke opslag van Australisch kernafval bij de opwerkingsfabriek in La Hague heeft verboden, ook slaat op het spul uit Borssele. De rechtbank in Cherbourg doet deze week uitspraak. Greenpeace ageert al jaren tegen de opwerking van gebruikte splijtstofstaven uit Borssele. De filosofie is dat als je al kernenergie wil, het afval ook direct kan worden opgeborgen, zoals in Zweden gebeurt. Dat voorkomt productie van plutonium en radioactieve vervuiling van de omgeving. ' Voorstanders van opwerking wijzen op de mogelijkheden van hergebruik van het plutonium en uranium dat bij de opwerking vrijkomt. Feit is dat de productie van het plutonium Borssele geen geld oplevert, maar geld kost: de vraag naar reactorplutonium is veel kleiner dan het aanbod. Voor levensduurverkorting van kernafval is opwerking op termijn wel noodzakelijk.

 

[MailBox]  
 

 
NRG, PO Box 25, NL-1755 ZG Petten, Netherlands, Tel +31-224564080, Fax +31-224563912
Informatie: info@nrg-nl.com
Update 18 februari 2006