|
Dé energiebron die nodig is om het energie- en klimaatprobleem op te lossen, juichen de voorstanders. Een fantasie van hoogmoedige wetenschappers, vinden sceptici. Biedt kernfusie de oplossing als de olie opraakt en de Chinezen een Amerikaans leven gaan leiden? Hoe schoon en sexy is kernfusie? ‘Het is niet reëel om te denken dat je er komt met wind en zon.’
Door Tomas Vanheste
Het is de heilige graal van de energiewereld: kernfusie, energieopwekking die de zon imiteert en gebruikmaakt van de mythische formule E=mc2. In de zon smelten vier waterstofkernen samen tot helium, dat net wat lichter is dan het kwartet waterstofdeeltjes samen. Dat kleine verschil in massa zet zich volgens Einsteins formule om in een flinke hoeveelheid energie.
Sceptische naturen wijzen er fijntjes op dat wetenschappers een halve eeuw geleden óók al aankondigden dat ze het kunstje spoedig onder de knie zouden hebben. De enorme bedragen die voor fusieonderzoek nodig zijn, zien ze rechtstreeks in een bodemloze put verdwijnen. Maar met de bouw van de Iter-reactor in het Franse Cadarache, roepen de enthousiastelingen, komt de finish echt in zicht. In juni dit jaar namen de Europese Unie, Zwitserland de Verenigde Staten, Rusland, China, Korea en Japan gezamenlijk het besluit tien miljard euro te steken in de bouw en het twintig jaar in bedrijf houden van deze proefreactor. Die moet aantonen dat het echt kan, energieopwekking door kernfusie.
Het móét lukken, zeggen de fusieprofeten met gevoel voor drama. De mensheid kampt immers met een levensgroot probleem. De fossiele brandstoffen, olie, gas en kolen, die nu goeddeels in onze energie-behoefte voorzien, raken uitgeput. Tegelijkertijd blijft de wereldbevolking groeien en zijn landen als China en India bezig aan een economische inhaalrace, die veel energie zal kosten.
Met fusie kunnen we nog miljoenen jaren voort, want de voorraad grondstoffen is bijna onuitputtelijk. Deuterium en tritium zijn de brandstoffen die in de Iter-reactor zullen fuseren. Dat is voor op aarde een slimmere aanpak dan de waterstofreactie op zon. Die brandt eigenlijk op een laag pitje, maar levert zoveel energie doordat ze zo groot is. Deuterium, een zware variant van waterstof, zit in al het water en is er eenvoudig uit te winnen. De tweede brandstof, tritium, is te maken door lithium te bestralen met neutronen. Lithium is een metaal dat overvloedig voorkomt op aarde. Tien gram deuterium en vijftien gram lithium volstaan om energie op te wekken voor een heel mensenleven.
Kernfusie is lang niet zo griezelig als kernenergie, benadrukken de voorstanders. Het afval is weliswaar radioactief, maar het vervalt veel sneller dan het afval dat een traditionele kerncentrale oplevert. Na zo’n honderd jaar is het vergelijkbaar met de as van een kolencentrale. Al is tritium een giftig radioactief goedje, het wordt pas in de reactor gemaakt, telkens in kleine hoeveelheden, waarna het meteen in het proces gaat. Er is dus geen transport van radioactief materiaal naar de centrale. In de gangbare kerncentrales die zo’n publieke verdeeldheid oproepen, vindt een kettingreactie plaats: uraniumkernen worden met neutronen gebombardeerd, waarna ze uit elkaar vallen en er neutronen vrijkomen die op hun beurt weer andere atomen splitsen. Kernfusie heeft niet het gevaar in zich dat het uit de hand kan lopen. Op elk moment is maar voor een minuut brandstof in de centrale aanwezig. Het eenvoudig dichtdraaien van de brandstofkraan is voldoende om de reactie te stoppen.
De belangrijkste milieutroef die de kernfusieaanhangers uitspelen, is dat het een kooldioxidevrije energiebron is, waarbij er ook nog eens geen andere schadelijke gassen als zwaveldioxide en stikstofdioxide vrijkomen. Geen kleine voordelen, in een tijd waarin velen zich zorgen maken over het broeikaseffect en de luchtkwaliteit.
Het klinkt allemaal uiterst verleidelijk, maar ook een beetje te mooi om waar te zijn. ‘Zet die tien miljard toch gewoon op de bank, dat rendeert tenminste,’ kopte een columnist in de Volkskrant. Ook de milieubeweging heeft haar bedenkingen. Wie vanuit het hippe restaurant van tv-kok Jamie Oliver de trappen van pakhuis Amsterdam bestijgt, belandt bij het betreden van het kantoor van Greenpeace tussen de felgele radioactieve vaten die er als waarschuwingsposten staan. In de kantine met fraai uitzicht over het IJ licht ‘nuclear campaigner’ Rianne Teule het standpunt van haar organisatie toe. Ze laat af en toe een denkpauze vallen en kiest zorgvuldig haar woorden. Zelf komt ze uit de onderzoekswereld, en dat maakt haar misschien iets meer genegen sympathie te koesteren voor onderzoek naar technologische hoogstandjes.
Teule: ‘Nee, Greenpeace is niet principieel tegen kernfusie, het is verkeerd in de pers gekomen. Wel willen we aandacht vragen voor de nadelen waarvan de omvang nog grotendeels onbekend is. Ook bij fusie is er radioactief afval, in behoorlijke volumes, vergelijkbaar met dat van kerncentrales. Het vervalt wel sneller, maar blijft toch tientallen tot honderden jaren gevaarlijk. Ook wijzen we op de proliferatiegevoeligheid. Tritium is een grondstof voor kernwapens. Bovendien komt er bij het proces heel veel neutronenstraling vrij. Dat kan gebruikt worden om grondstoffen voor een bom te maken. Je kunt niet van buiten zien of er plutonium- of uraniumproductie plaatsvindt in de centrale. De controle op proliferatie wordt bemoeilijkt als overal fusiereactoren verrijzen.’
De grote vraag is, vindt Teule, in welke energiebronnen je investeert. ‘Wij vinden dat er verkeerde keuzen worden gemaakt. Het is heus niet zo dat het geld voor fusie uit een ander potje komt, het een staat het ander in de weg. Tien miljard gaat naar ITER. De verhouding met de investeringen in bestaande, duurzame energiebronnen is zoek. Het jaarbudget voor onderzoek naar duurzame energie van de Europese Unie was in 2002125 miljoen euro. Wij zetten onze kaarten liever op duurzame bronnen die zich al bewezen hebben, op wind, zon en biomassa. En op energie-efficiency. Nu gebruikt de standby-stand van bijvoorbeeld een televisietoestel 7 à 8 watt. Als je de norm op 1 watt zet, levert dat een besparing op van alle elektriciteit die Borssele opwekt.’
Kernfusie is toekomstmuziek, beklemtoont Teule, iets dat mogelijk over veertig jaar iets oplevert, en we hebben op dit moment een probleem dat we hoognodig moeten oplossen. ‘De klimaatverandering is nú een grote bedreiging. Het voorzorgprincipe is het uitgangspunt van Greenpeace. Als je naar een kruispunt rijdt en er is tien procent kans dat er een auto van rechts komt, stop je. De kans dat de uitstoot van broeikasgassen tot klimaatverandering leidt, is veel groter. Snel vaart minderen dus!’
‘Vindt Greenpeace dat fusie te veel budget opslokt? Laten we in godsnaam niet om de centen zitten kibbelen. We zijn allemaal brothers in arms. We willen allemaal het wereldenergieprobleem oplossen en zorgen dat de wereld in 2100 duurzaam is.’ Aldus Niek Lopes Cardozo, de missionaris van het kernfusieonderzoek in Nederland. Lopes Cardozo zwaait de scepter over het plasmaonderzoek van FOM-instituut Rijnhuizen, dat verscholen ligt tussen de bomen op een landgoed in Nieuwegein. Plasmaonderzoek is cruciaal voor kernfusie. Het fusieproces vindt plaats bij zeer hoge temperaturen van rond 150 miljoen graden Celsius. De materie raakt dan, na de vaste, vloeibare en gasachtige fase in een vierde toestand, het plasma, waarbij elektronen en de atoomkernen zich los van elkaar bewegen en een gas van geladen deeltjes vormen.
Lopes Cardozo is een gepassioneerd pleitbezorger van kernfusie, maar in tegenstelling tot menig natuurwetenschapper voelt hij weinig aandrang lang bij allerlei technische details stil te staan. Zo snel mogelijk wil hij tot de kern van de zaak doordringen: het gigantische energieprobleem waarmee de wereld zijns inziens kampt.
‘Oorlog en vrede, rijkdom en armoede - het energievraagstuk controleert de grote politieke thema’s. Energie maken we nu vooral van olie, gas en kolen, grondstoffen waar we oorlog om voeren en die ons klimaat en de leefomgeving verpesten
Op zijn laptop tovert Lopes Cardozo grafiekjes te voorschijn die moeten aantonen dat het onvermijdelijk is dat de energiebehoefte razendsnel zal toenemen. ‘Vier van de zes miljard mensen op de wereld zit nog heel laag. Maar spoedig zal hun energieverbruik spectaculair toenemen. De relatie tussen welvaart en energieconsumptie is bijna lineair. Willen we tweederde van de wereld onze welvaart ontzeggen? In rap tempo rukken China en India op. China bouwt elke drie weken een kolencentrale. De wereldbevolking groeit tot negen miljard in 2050. Schattingen gaan uit van een verdrie- of zelfs verviervoudiging van de energievraag.’
Terwijl de behoefte aan energie vliegensvlug toeneemt, raken de bronnen die we nu gebruiken uitgeput. ‘De olieproductie bereikt over een kleine tien jaar haar top en zal daarna flink teruglopen. Ook de gasvoorraden zullen over enkele decennia snel slinken. Kolen zijn er nog voor zo’n dikke tweehonderd jaar, maar kolencentrales zijn behoorlijk vies en zorgen voor een flinke uitstoot van broeikasgassen. De concentratie van kooldioxide in de atmosfeer is al gestegen van 280 naar 360 ppm (deeltjes per miljoen). Het zal zeer moeilijk zijn het onder 550 ppm te houden. Wetenschappers gaan ervan uit dat de temperatuur, als dat lukt, al zo’n twee graden zal stijgen. Het is wel een erg eng experiment om de kooldioxideconcentratie nog verder te laten oplopen.’
We hebben dus echt een heel groot probleem, beklemtoont Lopes Cardozo. ‘Ongeveer driekwart van onze huidige energieproductie (kolen 22%; gas 21% en olie 38%) is aan vervanging toe en tegelijkertijd moet de productie verveelvoudigen om mensen wereldwijd de kans te geven zich te ontwikkelen. Om daarin te slagen is het noodzaak alle troeven tegelijk uit te spelen. Ik strijd daarom ook voor de budgetten van anderen. Zonne-energie en wind hebben grote potentie. Maar zelfs in de groenste scenario’s lukt het tegen 2050 misschien dertig procent van de energie op te wekken met “renewables”. Naast wind, zon en biomassa is fusie een van de heel weinige duurzame opties die we hebben. En we zijn niet in de positie om een van de kansrijke mogelijkheden niet te ontwikkelen.’
Kansrijk is fusie volgens Lopes Cardozo zeker. Hij legt een grafiek voor die dat glashard moet aantonen. Drie zaken zijn bij fusie van het hoogste belang: de temperatuur, de druk en de tijd dat de warmte in het plasma vastgehouden kan worden. Het product van die drie is daarom een maatstaf voor de prestatie van kernfusie. In de afgelopen vijfendertig jaar is dit zogeheten trippelproduct gestaag gestegen. De grafiek laat een fraai oplopende lijn zien die we nog maar even hoeven door te trekken om bij het beoogde doel te komen. Lopes Cardozo: ‘Ik verwacht geen grote verrassingen. Het is zeker dat we een fusiereactor kunnen bouwen. In het plasmaonderzoek zijn in de afgelopen jaren gigantische doorbraken geboekt. Boeiende liggen er nu vooral nog op het gebied van het contact tussen het plasma en de wand. In Iter is het honderdvijftig miljoen graden. Het plasma houden we vast met een magnetisch veld dat er voor zorgt dat het niet rechtstreeks met de wand in aanraking komt. Die krijgt daardoor niet de hele honderdvijftig miljoen, maar slechts zo’n duizend graden te verduren. Het is echter niet te vermijden dat plasmadeeltjes de wand raken, waardoor erosie ontstaat. In verhouding tot de proefreactor die nu in Engeland staat, betekent Iter een verhoging van die deeltjesstroom met een factor duizend. Bovendien wordt de wand bestraald met neutronen uit de fusiereactie. Daar moet die tegen kunnen. Dit zijn allemaal praktische, oplosbare problemen die goed materiaalonderzoek vergen.’
In materiaalonderzoek is de Nuclear Research Group (NRG) te Petten gespecialiseerd. Op het terrein in de Noord-Hollandse duinen waar NRG is gevestigd, staat ook de Hoge Flux Reactor. Geen kerncentrale die energie opwekt, maar een reactor waarin wetenschappelijke experimenten plaatsvinden, onder meer tests van materiaal dat mogelijk bruikbaar is in een fusiereactor. Daarnaast doet de reactor dienst als productieplek voor medische isotopen. Zestig procent van de in Europa voor medische doeleinden gemaakte isotopen komt uit Petten.
Wie tot de reactor wil doordringen, wordt met de neus op het feit gedrukt dat nucleaire technologie een delicate zaak is en blijft. Enkele dagen van tevoren dient de bezoeker zijn paspoortnummer doorgeven. Als er geen alarmbellen bij de veiligheidsdiensten gaan rinkelen, mag de gast bij de hoofdingang van het terrein een bewijs van toegang ondertekenen met instructies als: ‘Na binnenkomst volgt u de kortste weg naar het gebouw van bestemming’. Ook krijgt hij een pasje omgehangen, het begin van een imposante collectie. Honderd meter verderop, voor binnengaan van het grondgebied van de Europese Commissie waarop de reactor staat, volgt een nieuwe paspoortcontrole en een tweede pasje. Aan de ingang van de Hoge Flux Reactor controle en pasje nummer drie.
In het inwendige van het heiligdom vertelt de rondleider dat mensen hier een grote rol hebben bij het uitvoeren van de in nauwgezette protocollen omschreven handelingen. Wat als er iets blijft haperen bij het automatisch een stukje omhoog hijsen van een container in het waterbassin? Dan kan er een gevaarlijke situatie ontstaan, want het water dient als beschermlaag tegen straling. Vandaar dat een mens aan de knoppen staat. Bij het verlaten van het inwendige krijgt de verslaggever bijna een standje als hij zijn antistralingshandschoentjes met een nonchalante zwaai in de verkeerde box wil gooien. Alles is erop gericht de bezoeker duidelijk te maken dat hier streng de hand wordt gehouden aan uiterst zorgvuldige veiligheidsvoorschriften. Wie achteraf in een toestel dat de straling meet met de handen omhoog gestoken in sleuven en het hoofd tegen de wand gedrukt wacht op de mededeling van een computerstem dat alles in orde is, begrijpt weer even waarom nucleaire technologie zich goed leent voor angstaanjagende films.
Welke fusie-experimenten er in de Hoge Flux Reactor plaatsvinden, is mede in handen van Bob van der Schaaf. Hij is het hoofd van de NRG-groep die zich bezighoudt met materiaalonderzoek ten behoeve van kernfusie. Met zijn talent op te gaan in technische uitweidingen voldoet hij aardig aan het clichébeeld van de lichtjes wereldvreemde wetenschapper. Aan het eind van het gesprek heeft hij een vaderlijk advies in petto: ‘Ik zou zeggen, spreek niet te veel over bommen.’
Van der Schaaf denkt net als Lopes Cardozo dat de lastigste hobbels op weg naar fusie op het terrein van het materiaalonderzoek liggen. ‘Je werkt met componenten die er vreselijk van langs krijgen. Je moet materialen vinden die tegen een flinke dosis kunnen. In zo’n ITER kun je niet even binnenstappen om iets te vervangen. Je wil dus spul ontdekken dat even meekan. En dat we niet heel lang en ver weg moeten opslaan. Materiaal dat we na een halve eeuw, een eeuw, opnieuw kunnen gebruiken. Daarvoor worden geheel nieuwe staalsoorten uit de grond gestampt. Het blijkt dat we heel schone staalsoorten nodig hebben. In principe kunnen we dat al maken, maar het kost nu een lieve duit. Staalfabrikanten zijn niet gewend dat het zo nauw komt. Maar als er handel in zit, als ze een productielijntje kunnen openen ten behoeve van fusiecentrales, dan lukt het.’
De route naar kernfusie vergt naast ITER ook de bouw IFMIF, vertelt Van der Schaaf. ‘Dat is een machine speciaal gebouwd om materialen te beproeven onder extreme omstandigheden. Als die er is, kunnen we veel beter de levensduur voorspellen. Nu Europa het wedstrijdje om de Iter-locatie van Japan heeft gewonnen, is voor IFMIF waarschijnlijk een andere partij aan de beurt.’
Slokken al deze onderzoeksinspanningen voor kernfusie niet waanzinnig veel geld op dat we beter aan duurzame energiebronnen kunnen besteden? Van der Schaaf: ‘Ik denk dat het een achterhaald standpunt is te zeggen dat duurzaam zielig is. Hier in Petten bij het Energie Centrum Nederland is al in 1976 voortvarend begonnen met wind en zonnecellen. Maar wat als de wind en de zon er niet zijn? Accumulatoren voor het opslaan van energie zijn buitengewoon kostbaar. Het is niet reëel te denken dat je er met wind en zon komt als alle Chinezen een Amerikaans leven gaan leiden.’
Het idee dat duurzame energie het haasje is omdat er te veel geld naar fusie gaat, vindt John Grin, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, van huis uit fysicus en deskundige op het terrein van de maatschappelijke acceptatie van nucleaire technologieën, evenmin overtuigend. ‘Kernfusie, een hightech project dat de zon tracht te imiteren, is gewoon zo sexy en technologisch uitdagend dat er middelen voor worden vrij gemaakt.’ Wel is het naar Grins inzicht waar dat er navrant weinig wordt geïnvesteerd in niet-fossiele energiebronnen en energie-efficiency. Een energieneutrale wijk bouwen, is volgens hem een mogelijkheid die veel dichterbij ligt dan kernfusie. ‘Vnex-projecten waren een geweldige kans om dat aan te tonen, maar die is eenvoudigweg niet gegrepen.’ En nog steeds gaat het leeuwendeel, bijna 75%, van de Europese energiesubsidies naar kolen, steenkool en gas.
‘Dat is iets waar de milieubeweging zich samen met ons tegen zou moeten verzetten,’ verzucht Lopes Cardozo, ‘in plaats van zich tegen fusie te keren.’ Het totale budget voor energieonderzoek vindt hij schandalig laag. ‘Maar 0,3% van het totale bedrag dat in de Europese Unie aan energie wordt uitgegeven, is bestemd voor onderzoek. Dat ligt ongeveer op het niveau van de tabaksindustrie. In auto-industrie is dit ongeveer vijftien procent, in de biotechnologie en farmacie zelfs zo’n vijfentwintig procent. Het totale bedrag dat naar research & development voor energie gaat moet dus flink omhoog. Het domste wat we kunnen doen is met elkaar in de slag te gaan. En die tien miljard voor Iter? Ach, het is maar hoe je het bekijkt. Dagelijks worden er wereldwijd tachtig miljoen vaten olie verhandeld voor ruim zestig dollar. In de oliehandel gaat, reken maar uit, elke dag ongeveer vier miljard om. Iter kost dus tweeënhalve dag oliehandel.’
Op de vraag waarom al decennia wordt geroepen dat kernfusie er spoedig komt, hebben Lopes Cardozo en Van der Schaaf een eensluidend antwoord: het is een kwestie van urgentie. Cardozo: ‘We hadden Iter al kunnen hebben. In 1987 was de olieprijs op een all time low. Alle innovatieve projecten zijn toen gestopt. Een schandalig kortzichtige beslissing. We hebben zeker tien jaar vertraging opgelopen.’ Ook Van der Schaaf stelt dat Iter er tien jaar eerder had kunnen staan, als er maar met grote voortvarendheid te werk was gegaan. ‘Het gespartel over Iter is een bewijs dat er niet genoeg druk op de ketel zit.’ In februari van dit jaar hield Lopes Cardozo een pleidooi voor kernfusie in het Europese Parlement. ‘Voor het eerst kwam de vraag: kan het ook sneller? Hoeveel kost het dan?’
Dat het zeker nog vijfendertig jaar duurt voordat er een commerciële fusiereactor staat, is volgens de heren een eenvoudig rekensommetje. Alleen al voor het bouwen van Iter is tien jaar nodig. Die reactor heeft als doel de technische haalbaarheid van fusie aan te tonen. Daarna moet ‘Demo’ verrijzen, een centrale die ook de betrouwbaarheid van bedrijf en commerciële haalbaarheid demonstreert. Als dat ding blijkt te werken, kunnen pas commerciële reactoren gebouwd worden, en voor die er staan…
Voor de toekomst van kernfusie zal veel afhangen van hoe sterk het besef leeft dat het energievraagstuk in 2050 geen ver-van-ons-bed-show is, maar dat we nu stappen moeten nemen. Kyoto heeft volgens Van der Schaaf wel wat geholpen. Maar alles wat met nucleaire technologie heeft te maken, blijft met een imagoprobleem kampen. Van der Schaaf: ‘De kennismaking van de wereld met kernenergie was in Hiroshima. Fusie is een vrij veilige energiebron. Je hebt geen transport van gevaarlijke stoffen. De bijdrage aan proliferatiegevaar is heel beperkt. Als het je al lukt tritium achterover te drukken, ben je nog nergens.’
Ook John Grin vindt de angst dat fusie een bijdrage levert aan het proliferatiegevaar niet gegrond. ‘Ik ben zelf erg bezorgd over proliferatie. Maar tritium is de grondstof van een waterstofbom. Het is a hell of a job om die te maken.’ Terroristen en dubieuze staten hebben veel eenvoudigere opties.
Wel vindt hij dat de pleitbezorgers van fusie wat te gemakkelijk over het afvalprobleem heenstappen. ‘Ze hebben typisch een technische benadering. Voor hen is die vijftig tot honderd jaar misschien niet veel. Voor het publiek wel. Het is belangrijk na te denken over wat dat maatschappelijk betekent. Gedurende die halve tot hele eeuw moeten we zorgen dat er geen terrorist bij kan komen. Van dat nucleaire afval kun je een vuile bom maken, gewoon een vuilniszak met troep die je laat ontploffen. Of je kunt er een bom opgooien. We leven in een hoog geavanceerde samenleving die kwetsbaar is op duizend en één manieren. Met de opslag van nucleair afval schep je nieuwe risicoplekken. Zelfs de dijken schrijven we in dertig jaar af. Vanuit maatschappelijk perspectief gaat het dus om een ongekend lange periode.’
Aan de technische haalbaarheid van kernfusie twijfelt John Grin niet echt. ‘Ik denk wel dat Iter het gaat halen. Al weten we het natuurlijk pas zeker als het feitelijk is aangetoond. Dat het geen eenvoudig klusje is, is ook evident. Niet voor niets trekt men er veertig jaar voor uit. Het feit dat de vier machtsblokken het samen doen, bewijst dat het heel moeilijk is. Bij andere hoogtechnische projecten als nanotechnologie en genomics werken ze nauwelijks samen.’
Moet je voor de beoordeling van de technische haalbaarheid al een beetje visionair zijn, nog veel moeilijker is het volgens Grin in te schatten of het commercieel een haalbare kaart is. ‘Dat zal afhangen van zaken als de ervaren urgentie van de CO2 –problematiek, de kosten van fossiele brandstoffen tegen die tijd en de maatschappelijke acceptatie van de afvalkant. Als de Nuons van de wereld moeten besluiten of ze het gaan doen, zullen ze die dingen afwegen.’
Met kernenergie is het, meent Grin, fout gegaan omdat het maatschappelijke debat pas aan het eind van de rit kwam. ‘Tijdens het ontwerpproces waren al keuzes gemaakt die later de maatschappelijke acceptatie bemoeilijkten. Mijn advies: zorg tijdens de bouw van Iter voor een parallel proces van maatschappelijke oordeelsvorming. Je moet vermijden dat je in 2045 een werkende reactor hebt, maar het publiek het niet ziet zitten en geen investeerder zich eraan wil wagen omdat hij de demonstranten al aan de poort ziet staan. Het is zaak stap voor stap de meest gevoelige aspecten te bediscussiëren en te kijken hoe je in het ontwerp daar al rekening mee kunt houden. Het afval is de Achilleshiel van de kernfusie. Een ander pijnlijk punt is de schaalgrootte. We weten dat het een wetmatigheid is: een grote reactor levert grote weerstand op. In 1999 hield ik voor een Europese workshop in Madrid een verhaal over de toekomstperspectieven van kernfusie. Een van mijn adviezen was veel aandacht te besteden aan het minimaliseren van de energieverliezen, met als doel de ontwikkeling van minder grootschalige reactoren mogelijk te maken. Maar zelfs de experimentele Iter-reactor gaat al de kant op van vijfhonderd megawatt. Het is bloedlink om mogelijke maatschappelijke weerstanden te negeren. Dan kan straks blijken dat alle moeite voor niets is geweest.’
|