|
Haarlem - Met het openhouden van de kerncentrale in Borssele hebben de
voorstanders van kernenergie een belangrijke slag gewonnen en de nucleaire
optie weer mogelijk gemaakt. Dat staat in een onlangs verschenen rapport
van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) te Petten, geschreven
door Felix van Vugt. Het rapport grijpt terug naar de begintijd van de
kernenergie: in 1957 werd kernenergie de enige oplossing genoemd voor
de ongewenste afhankelijkheid van de invoer van olie. In de jaren zeventig
ging de Nederlandse regering uit van een geïnstalleerd vermogen aan
kerncentrales van 35.000 megawatt in het jaar 2000. Maar op dit moment
draait uitsluitend de kerncentrale Borssele met een vermogen van 450
megawatt.
Van Vugt beschrijft nauwkeurig waarom kernenergie niet geworden
is wat men aanvankelijk wilde. In de tweede helft van de jaren zeventig
ontstond er verzet tegen de bouw van nieuwe kerncentrales zoals de snelle
kweekreactor te Kalkar. De overheid wilde in 1978 een brede maatschappelijke
discussie, maar begon die pas in 1981. De besluitvorming zou in april
1986 afgerond zijn met een besluit voor de bouw van nieuwe kerncentrales,
ware het niet dat het ongeluk met de kerncentrale te Tsjernobyl roet in
het eten gooide.
Van Vugt analyseert gedetailleerd hoe vervolgens een
discussie over het sluiten van de kerncentrale Borssele eind 2003 ontstond.
De voorstanders voerden een strijd voor het behoud van hun centrale,
hun bedrijf, hun levensonderhoud en vaak ook hun levensvervulling.
Ze hebben het pleit gewonnen omdat ze over een uitgebreider netwerk en
meer financiële en relationele middelen konden beschikken. Of Borssele
eind 2013 sluit is de vraag, want dan kan alleen maar door de kernenergiewet
te veranderen. Daar komt nog bij, stelt Van Vugt, dat het broeikaseffect
en de liberalisering van de energiemarkt bijdragen aan het weer bespreekbaar
maken van de nucleaire optie.
Bron: F. van Vugt, ‘De hardheid van de nucleaire optie’, ECN-I-04-001.
|