|
De chemische revolutie in keramische materialen.Dat is wellicht de beste omschrijving voor de processen die plaatsvindenbij het gebruik en hergebruik van nucleaire splijtstoffen. Hierbijworden langlevende isotopen omgezet in stoffen met een kortere levensduur.
Bij het splijten van uranium komt energie vrij die omgezet kan worden
in elektriciteit. Zo'n zeventien procent van de wereldwijde elektriciteitsproductie
wordt met kernenergie opgewekt. Met slechts enkele grammen uranium
kan een huishouden een jaar lang van stroom worden voorzien. Een nadeel
van kernenergie is echter de aard van het geproduceerde afval. De afvalcomponenten
zijn radioactief en hebben een lange halveringstijd. De schadelijkheid
van radioactief afval wordt uitgedrukt door de radiotoxiciteit, een
maat voor de biologische schade bij ingestie of inhalatie van een bepaalde
hoeveelheid radioactieve stof. Vanwege de hoge radiotoxiciteit is
het belangrijk dat de afvalcomponenten buiten onze biosfeer blijven.
Het risico dat afval toch in de biosfeer terechtkomt kan op verschillende
manieren worden verkleind. Ten eerste kunnen wij ervoor zorgen dat de
totale hoeveelheid afval wordt verkleind. Dit kan gedaan worden door
het afval opnieuw in de reactor te brengen, waarbij langlevende radioactieve
stoffen worden omgezet in stoffen met een kortere levensduur. Dit proces
wordt ook wel aangeduid met transmutatie. Ten tweede kan het afval beter
worden verpakt (gemmobiliseerd) zodat het niet in onzebiosfeer terecht
kan komen. Beide methoden, transmutatie en immobilisatie, zijn onderwerp
van onderzoek bij NRG.
Op dit moment zijn er wereldwijd ruim vierhonderd reactoren in bedrijf.
Dit zijn voornamelijk licht water reactoren die standaard uraniumoxide
splijtstof gebruiken. Zo'n tien procent van de reactoren wereldwijd
heeft een MOX-licentie. MOX staat voor Mixed OXide, dat wil zeggen een
mengsel van uranium- en plutoniumoxide. Met MOX wordt een van de afvalcomponenten,
het plutonium, hergebruikt. Echter, het tempo waarmee het plutonium
wordt geproduceerd, is hoger dan de consumptie via de MOX-route, het
plutonium accumuleert dus. Wereldwijd is er op dit moment een voorraad
van ongeveer l500 ton plutonium voortkomend uit elektriciteitsproductie.
Daarnaast is er een voorraad van ongeveer 250 ton wapenplutonium.
SPLIJTING EN ACTIVERING De grondstof voor kernenergie is uranium (U).
Dit komt voor in de natuur als uraniumerts. Dit natuurlijke uranium bestaat
voor 0,7% uit het splijtbare U-235 nuclide. Voor reactorgebruik wordt
het uranium verrijkt middels ultracentrifuge van het gasvormige UF6.
Het verrijkte uranium bestaat voor ongeveer 4% uit 235U en voor 96% uit
238U. Uiteindelijk wordt de splijtstof in de vorm van UO2 tabletten gebruikt
in de reactor. In de reactor wordt deze splijtstof blootgesteld aan neutronen.
De volgende twee reacties vinden daarbij plaats:
De vrijkomende neutronen, gemiddeld 2,5 neutron per splijtingsreactie,
worden gebruikt voor het instandhouden van de gecontroleerde kettingreactie.
Voorbeelden van veelgevormde splijtingsproducten zijn Sr, Rb, Kr (massagetal
-- 90) en Xe, Cs, I (massagetal (massagetal -- l30). De afremming van de
hoogenergetische splijtingsproducten zorgt voor verhitting van het
uraniumoxide, en de hierbij vrijkomende warmte wordt eindelijk omgezet
in electriciteit. Naast splijting vindt ook activering plaats (absorptie
van neutronen), waarme plutonium (Pu) wordt aangemaakt. Dit plutonium
wordt vervolgens, deels door activering en deels door natuurlijk verval,
omgezet in overige actiniden als americium (Am), neptunium (Np) en curium
(Cm). De splijtingsproducten en de actiniden zijn zowel chemisch als
fysisch totaal verschillend. De splijtingsproducten hebben een levensduur
van 270 jaar, terwijl de actiniden een levensduur hebben van ongeveer
130.000 jaar.
Alhoewel het afval -- lees: de gebruikte splijtstof - voor het grootste
deel bestaat uit uranium, is het toch voornamelijk het plutonium dat
de radiotoxiciteit op de lange termijn domineert. Naast Pu geven Am en
Cm belangrijke bijdragen aan de radiotoxiciteit. Het neptunium levert
weliswaar een beperkte bijdrage aan de totale radiotoxiciteit, maar
is door het mobiele karakter van zijn verbindingen toch van belang met
het oog op mogelijke verspreiding binnen onze biosfeer. Daarnaast neemt
de hoeveelheid neptunium toe in de loop van de tijd door radioactief verval
van het in grotere hoeveelheid in het afval aanwezige plutonium-241
en americium-241.
De splijtstof verblijft zo'n drie jaar in de reactor waarna het ofwel
direct wordt opgeslagen ofwel wordt hergebruikt. Het hergebruiken
begint bij de opwerkingsfabrieken, waar het uranium en het plutonium
van de overige afvalcomponenten worden afgescheiden. Dit uranium en
plutonium kan opnieuw worden gebruikt in de vorm van MOX. Dan resteren
de overige actiniden en de splijtingsproducten welke volgens de huidige
technologie worden verglaasd en uiteindelijk zullen worden opgeslagen.
Bij NRG wordt de haalbaarheid van transmutatie en immobilisatie van
de huidige reststromen van actiniden en splijtingsproducten onderzocht.
URANIUM-VRIJE SPLIJTSTOFFEN. Het plutonium kan efficienter worden
aangepakt met behulp van uranium-vrije splijtstoffen dan met MOX. Als
er geen uranium in de splijtstof aanwezig is,wordt ook geen nieuw plutonium
gevormd en het reeds aanwezige plutonium wordt wel omgezet in splijtingsproducten.
Het uranium moet echter wel vervangen worden door een ander, niet splijtbaar,
keramisch materiaal. De keramische materialen waarin de te transmuteren
actiniden, bijvoorbeeld plutonium of americium, worden ingebed, moeten
uiteraard zo gekozen worden dat zij zelf niet of nauwelijks tijdens bestraling
geactiveerd worden en dus geen nieuw afval opleveren.Voorbeelden van
niet-activerende chemische elementen zijn aluminium, magnesium,
silicium en zirkonium. Keramische matrices die aan deze voorwaarde
voldoen worden ook wel "inerte matrices" genoemd. Naast de lage activeringskans
dienen de gekozen materialen een goede warmtegeleiding te hebben en
relatief ongevoelig te zijn voor structuurveranderingen door strailngsschade.
Daarnaast dient de chemische interactie met de gevormde splijtingsproducten
en de zwelling veroorzaakt tijdens bestraling gevormde splijtingsgassen
(Kr, Xe, He) beperkt te blijven. Het is dus van belang om zoveel mogelijk
te weten te komen over het bestralingsgedrag van keramische materialen
teneinde potentiële matrix materialen op voorhand te kunnen selecteren.
Recentelijk is het OTTO bestralingsexperiment in de Hoge Flux Reactor
(HFR) in Petten afgerond. Dit experiment was een samenwerking van het
Japan Atomic Energy Research Institute (JAERI) en het Paul Scherrer
Institute (PSI) uit Zwitserland en NRG met als doel het eenmaal bestralen
van plutonium, gevolgd door opslag (OTTO = Once Through Then Out). Doel
van dit experiment was het opbranden van plutonium in inerte matrices
te testen. Het plutonium werd bij dit experiment ingebed in spinel (MgAI204)
en gestabiliseerde zirkoniumoxide (ZrO2) matrices. In het geval van
spinel werden Pu-houdende bolletjes met een diameter van 200 micrometer
ingebed in een spinelmatrix. In zirkoniumoxide kan het plutonium direct
worden opgelost, omdat het zirkoniumoxide dezelfde kristalstructuur
als plutoniumoxide heeft. Bij dit experiment is meer dan de helft van
het plutonium omgezet in splijtingsproducten. Dit komt overeen met
een afname van de radiotoxiciteit na duizend jaar met een factor twee.
Het experiment was een succes: we hebben laten zien dat dergelijke matrices
geschikt zijn voor Pu-omzetting. Dit is een belangrijke stap in de oplossing
van het afvalprobleem. Hierover is de nodige aandacht in de media geweest;
het bovengenoemde project was onderwerp van een NOVA-uitzending op
24 juni 2003. De volgende stap binnen dit onderzoek is het verhogen van
de omzetting naar negentig procent. Wij zouden hier ook kunnen spreken
van nucleaire alchemie. Weliswaar veranderen wij geen lood in goud,
maar actiniden in splijtingsproducten, en dat is een buitengewoon waardevolle
omzetting. Daarnaast trachten wij de participatie van elektriciteitsbedrijven
en splijtstoffabrikanten binnen dit onderzoek te verkrijgen. Een test
van deze innovatieve splijtstof in commerciele (elektriciteitsproducerende)
reactoren is het volgende doel.
|