|
Ik werk liever naast een kernreactor dan een hoogoven
DOEL, zaterdag
Lange tijd was praten over kernenergie hetzelfde als
vloeken in de kerk. Het Tsjernobyl-drama uit 1986 hing als een nucleair
spook boven de felle discussies. Maar de in Kyoto afgesproken CO2-reductie
en de technologische ontwikkelingen hebben kerncentrales weer op de
Europese politieke agenda gezet. Ook in Nederland lijkt het nucleaire
tij te keren. Over de mogelijke comeback van kernenergie.
Vlak over de grens met Belgie zijn ze vanaf de snelweg goed te zien. Twee
gigantische koeltorens van elk 175 meter hoog steken onheilspellend
af tegen de horizon en braken dikke slierten stoom uit. Het zijn de bakens
van de vier Belgische kerncentrales van Electrabel bij het plaatsje
Doel, die hier sinds 1974 voor een kwart van de Belgische elektriciteitsvoorziening
zorgen.
Andre Dhert was er vanaf het begin bij. Met personeelsnummer 1 heeft hij
de allereerste uraniumstaven in 1974 in de kernreactor geladen. Ook
was hij de eerste die de reactor opstartte. „Dat was een prachtig moment”,
blikt de 59jarige Dhert terug. „Iedereen was echt trots om bij Doel te
werken. Het opstarten van de reactor werd ook op de televisie uitgezonden.
Ik was de held van het dorp.” Dhert, die over 14 dagen met pensioen gaat,
heeft zich in de ruim dertig jaar dat hij in de kerncentrale werkte, nooit
onveilig gevoeld. „Ik heb zeker in het begin een pak radioactieve straling
opgedaan”, vertelt hij luchtig. „Maar dan neemt ge een douche en dan is
het weg. Er werd niet zwaar aan getild. En als het een keer of drie gebeurde,
leerde ge het wel af.”
Inmiddels zijn de regels veel strenger, weet Dhert. „De meetinstrumenten
zijn in de loop der tijd geperfectioneerd. En er is beveiliging op beveiliging
op beveiliging. Voordat ik bij Doel aan de slag ging, werkte ik bij een
staalfabriek. En ik kan u vertellen dat dat 100 keer gevaarlijker was.
Ik voel me een stuk onveiliger in de buurt van een hoogoven dan naast een
kernreactor. Ik zeg niet dat er niets kan gebeuren. Er is altijd risico.
Maar die worden wel zo veel mogelijk uitgesloten.”
De angst voor kerncentrales zat er vooral na de vreselijke ramp in de centrale
van het Oekraïense Tsjernobyl, in 1986, flink in. Sindsdien zijn er nauwelijks
nog centrales bijgebouwd in West-Europa. Alleen Frankrijk trok zich
weinig van het ontstane tumult aan en zette na de Tsjernobylontploffing
20 nieuwe kerncentrales neer, waardoor het totaal op 59 kwam. Kernenergie
neemt dan ook bijna 80% van de totale energieopwekking in Frankrijk voor
zijn rekening.
Inmiddels lijkt kernenergie bezig met een comeback in Europa. De Finse
regering besloot vorig jaar een nieuwe nucleaire centrale te gaan bouwen
en buurland Zweden is gestopt met het zogeheten uitfaseren van de 11 bestaande
centrales. Ook in Belgie staat de deur nog op een kier. De Belgische
wet bepaalt weliswaar dat de 7 centrales in 2015 en 2025 dicht moeten,
maar dezelfde wet bevat een clausule die zegt dat „bij onvoldoende alternatieven
de wet opnieuw ter sprake moet worden gebracht.
De Spaanse eurocommissaris van transport en energie Loyola de Palacio
heeft zich al meerdere malen vóór kernenergie uitgesproken. De voornaamste
reden hiervoor is de in 1997 in Kyoto gemaakte afspraak over de reductie
van CO2 in de Europese Unie. Volgens deze afspraak moet de EU 8% minder
CO2 de lucht in brengen dan in 1990 werd gedaan. „We moeten kiezen”, vindt
Palacio. „Als we kernenergie opgeven, zullen we niet aan Kyoto voldoen.”
De Boston Consulting Group kwam vorige maand in een rapport tot dezelfde
conclusie. Ook in Nederland begint het tij te keren. Het huidige kabinet
heeft besloten de enige kerncentrale van ons land, in Borssele, tot 2013
open te houden. Voorheen zou de centrale veel eerder dichtgaan. Het Rathenau
Instituutsignaleert dat „kernenergie als optie voor de productie van
elektriciteit aarzelend terugkeert op de politieke en maatschappelijke
agenda”. Het instituut is vorige week gestart met het project ´Kernenergiediscussie
op Herhaling´, om de argumenten van voor- en tegenstanders nog eens goed
in beeld te brengen. Bij het project is onder meer Pieter Boot, directeur
energiestrategie bij het ministerie van Economische Zaken, betrokken.
Voor Greenpeace is Rianne Teule van de partij. De verwachting is dat het
onderzoek aan het eind van dit jaar is afgerond.
Het grote bezwaar tegen kernenergie blijft het radioactieve afval,
dat generaties lang levensgevaarlijk blijft. In het Belgische Doel
´verglazen´ ze het hoog radioactieve uranium, nadat het geruime tijd
in water is gekoeld. Het verglaasde uranium, dat het beste te vergelijken
is met een stuk kristal en zo´n 10.000 jaar gevaarlijk blijft, wordt vervolgens
in beton gegoten. De betonblokken staan nog eens 30 tot 40 jaar in een bunker
in Mol om uiteindelijk onder de grond te worden gestopt.
Operationeel directeur van de kerncentrales in Doel Patrick Moeyaart
erkent dat de maatschappelijke opvattingen over ondergrondse opslag
niet positief is. „We zijn nu in gesprek met diverse gemeenten om het uranium
op te slaan. De perceptie over het nucleaire afval is inderdaad niet goed.
Maar het spul gaat tussen de 200 en 900 meter onder de grond. Ik zou er persoonlijk
geen moeite mee hebben in een huis boven dat afval te wonen. En dan zou ik
er nog een zwembad bij willen ook.”
|