|
De levensduur van kernafval kan aanzienlijk worden bekort als een aantal
forse technologische drempels wordt genomen, aan opwerkingsfabrieken
omvangrijke afdelingen worden toegevoegd en er een nieuw type kerncentrale
wordt ontwikkeld
Herman Damveld
Het risico van kernafval wordt vaak vergeleken met dat van uraniumerts.
Volgens deze vergelijkingsmaatstaf is het risico van kernafval, afhankelijk
van de gebruikte scenario's, na 250.000 tot acht miljoen jaar vergelijkbaar
met dat van het uraniumerts. Zou men er in slagen de langlevende stoffen
om te zetten, in de vakterminologie 'opbranden' geheten, dan komt het
kernafval al na 250 jaar op een vergelijkbaar risico-niveau. Internationaal
vindt onderzoek plaats naar dit opbranden. In Nederland gebeurt dit
bij de Nuclear Research and consultancy Group (NRG) te Petten. Het onderzoek
kreeg de naam RAS, Recycling van Actiniden en Splijtingsproducten.
Opwerking
De gebruikte brandstof uit de kerncentrales zit in lange buizen, de zogenoemde
splijtstofpennen. Een verzameling van honderd tot driehonderd splijtstofpennen
die met roosters aan elkaar bevestigd zitten, vormt een brandstofelement.
Verkorten van de levensduur vereist ten eerste dat de verschillende
radioactieve stoffen uit deze brandstof elementen worden gehaald.
Dit gebeurt in een opwerkingsfabriek. Uit de gebruikte elementen wordt
daar volgens de huidige technologie het in de kerncentrale gevormde
plutonium en het nog resterende uranium gehaald. Daarbij resteren verschillende
stromen kernafval die tezamen worden verglaasd. Het verglaasde afval
wordt ook wel aangemerkt als ksa. Het hoogradioactieve, warmteafgevende
deel wordt gevormd door die splijtingsproducten, die niet in aanmerking
komen voor recycling. Deze splijtingsproducten vervallen op een tijdschaal
van nul tot driehonder jaar.
Actiniden
Echter, een deel van de radioactieve stoffen van uiteenlopende levensduur
die nu worden verglaasd, komt in aanmerking voor opbranden. Het opbranden
vereist de afscheiding en transmutatie van onder andere de componenten
americium, curium, neptunium, jodium en technetium voorafgaand aan
eventuele verglazing. Daartoe moet het ksa opnieuw behandeld worden,
waarbij de langlevende stoffen af worden gescheiden. In de bestaande
opwerkingsfabrieken is een dergelijke fase niet voorzien. Voordat
het zover is, moeten technologische drempels worden overschreden,
stelt Dominique Greneche, onderdirecteur van de ontwikkelingsafdeling
van Cogema en een van de auteurs van een recent rapport van de Franse opwerkingsfirma
Cogema te La Hague en de Engelse BNFL te Sellafield over transmutatie.
Bovendien ontstaat volgens Greneche bij de geavanceerde opwerking
en verwerking een nieuwe stroom radioactief afval.
Er worden afscheidingsprocessen ontworpen die selectief bepaalde
elementen uit de afvalstroom halen. Zoals dat nu voor uranium en plutonium
gebeurt in het Purex-proces, zo wordt ook onderzocht of dit voor americium,
curium en neptunium afzonderlijk gedaan kan worden. Naast bovengenoemde
actiniden worden er verder geen actiniden gevormd, behalve heel marginale
hoeveelheden berkelium and protactinium die ook nog relatief kort levend
zijn.
Nuclide
Bij NRG in Petten wordt onderzoek gedaan naar het opbranden van actiniden.
'We onderzoeken vooral welke brandstof-verpakkingen, de zogeheten
fuel targets, je moet gebruiken voor recycling en welke reactortypen
hiervoor in aanmerking komen, zoals bijvoorbeeld de ADS Accelerator
Driven Systems', stelt dr. Ronald Schram, die bij de NRG verantwoordelijk
is voor het transmutatie-onderzoek. Internationaal wordt er veel meer
onderzocht, zoals de chemie benodigd voor de afscheiding. Schram legt
uit: 'Een afgescheiden nuclide wordt verpakt in een materiaal dat de
bestralingscondities kan weerstaan, zoals temperatuur, gasontwikkeling
en hoge neutronendosis. Daarbij is een bepaalde fabricagetechnologie
vereist. Het is van belang dat tijdens bestraling geen nieuw afval gegenereerd
wordt door neutronenactivering.'Hij noemt voorbeelden: 'Plutonium
wordt verpakt in inert matrix materiaal, bijvoorbeeld de keramische
materialen spinel of zirconiumoxide. Deze worden gemaakt in zogenoemde
alfa-dichte boxen in het actinidenlab van NRG. Jodium wordt als metaaljodide
(bijvoorbeeld NaI) in pilvorm in een capsule bestraald.' In welke reactoren
je de actiniden bestraalt, 'hangt af van de neutron-werkzame doorsnede
van het betreffende nuclide. De actiniden kunnen worden verspleten
(fission) of kunnen een neutron invangen (capture). Deze processen
vinden allebei plaats, en de verhouding tussen fission en capture hangt
af van de neutronenenergie', stelt Schram.
Hoe hoger de flux
Hij vervolgt: 'Het uranium-235 wordt iets efficienter verspleten in
thermische reactoren, zoals de bestaande kerncentrales. Voor plutonium-239
en -241 geldt dat deze nucliden iets efficienter splijten in snelle reactoren.
Dat laatste gaat ook op voor americium, neptunium en curium. Hoe hoger
de flux is, hoe sneller deze stoffen worden getransmuteerd. Innovatieve
types reactoren, zoals de ADS, kunnen veel hogere neutronenfluxwaarden
bereiken dan huidige types reactoren, zoals Borssele. De beschikbaarheid
van een hoge (snelle) neutronenflux is dan ook belangrijk voor actinide
transmutatie.' Voor de splijtingsproducten geldt dat deze niet splijtbaar
zijn en dat deze omgezet kunnen worden naar stabiele of korter levende
nucliden door capture. Voor technetium-99 en jodium-129 gaat dit het
meest efficient in een thermisch spectrum.
'Nog enkele decennia'
Het hangt van de neutronendwarsdoorsnede van het betreffende nuclide
af hoe lang het opbranden duurt. Hoe groter de dwarsdoorsnede voor omzetting,
hoe korter de bestraling duurt. Men kan ook wel spreken van een transmutatie-halveringstijd,
die een functie is van de neutronendwarsdoorsnede en de neutronenflux.
In een recent uitgevoerd bestralingsexperiment in de Hoge Flux Reactor
te Petten is americium-241 voor meer dan 99 procent omgezet in zo'n twee
jaar. Het kost tijd voordat de afscheiding en omzetting van de actiniden
op kleine schaal verwezenlijkt is. Splijting van plutonium gebeurt
weliswaar al lang, maar het zal volgens Schram nog 'enkele decennia'
duren voor de transmutatie van de overige stoffen gerealiseerd zal worden.
Radioactieve cocktail
Kerncentrales draaien op uranium. Tijdens het bedrijf van de centrale
splijt dit uranium. Dit geeft splijtingsproducten en warmte die wordt
omgezet in stroom. Daarnaast ontstaan door neutronenvangst uit uranium
nieuwe stoffen zoals plutonium en neptunium. Dit zijn zwaardere stoffen
dan uranium, hetgeen te zien is in de weergave van hun atoomgewicht achter
hun naam: men spreekt van uranium-235 en van plutonium-239. De zwaardere
radioactieve stoffen worden gerekende tot de verzamelnaam 'actiniden',
omdat hun chemische eigenschappen sterk lijken op die van actinium;
het gaat hier om onder meer actinium, uranium, neptunium, plutonium
en americium. De splijtingsproducten, zoals jodium, strontium en cesium
daarentegen zijn lichter: ze heten bijvoorbeeld jodium131 en jodium-129,
strontium-90 en cesium-134.
In een kerncentrale ontstaat een groot aantal radioactieve stoffen,
die worden gekenmerkt door hun halfwaardetijd. Dit is de tijd waarin
een stof de helft van de radioactiviteit verliest. Bij cesium-137 gaat
het om een halfwaardetijd van dertig jaar. Nog langer zijn de halfwaardetijden
van plutonium-239, namelijk 24.400 jaar, en van neptunium-237, namelijk
2,1 miljoen jaar. De actiniden hebben een hoge halfwaardetijd en zijn
daarmee bepalend voor het risico op lange termijn. Een probleem is echter
dat sommige splijtingsproducten ook een extreem lange halfwaardetijd
hebben, zoals technetium-9~ met 200.000 en jodium-129 met zestien miljoen
jaar, waardoor deze ook bijdragen aan lange termijn risico en tevens
beschouwd worden in recycling-scenario's.
|