|
Borstelig kwasten, kortaf schilderen is typerend voor Rembrandts werkwijze. Dat is ook te zien op op een schilderij dat niet aan de grote meester was toegeschreven. Bestraling ervan in de kernreactor van Petten onthulde de ware masker.
Pff, WAT MAAKT het nu uit welk naambordje erbij hangt. Daar kan ik me niet
druk om maken. De schoonheid van een schilderij, hoe het indertijd is
gemaakt, dat is voor mij veel belangrijker.' De reactie van dr. Arie Wallert,
conservator van het Rijksmuseum, verbaast enigszins. Een schilderij
toeschrijven aan Rembrandt doe je per slot van rekening niet elke dag.
Het betreft het schilderij De Lachende Jongeman. Kunsthistorici dateren
het werk op omstreeks 1630. Wallert heeft gedetailleerd gekeken naar
de onderschildering in dit kunstwerk: eerste aanzetten die gedetailleerd
naar boven konden worden gehaald na bestraling van het schilderij in
de lagefluxreactor in Petten, in februari dit jaar.
Afgelopen donderdag besprak Wallert de eerste resultaten van zijn onderzoek
in het Catharijneconvent in Utrecht op een symposium over autoradiografische
technieken. Het bewuste schilderij is in 1982 door het Rembrandt Research
Project (RRP) in categorie C ondergebracht: geen werk van de zeventiende-eeuwse
meester. Het RRP is een ambitieus onderzoeksproject, ondergebracht
bij de Universiteit van Amsterdam, dat sinds eind jaren zestig alle Rembrandts
en mogelijke Rembrandts in de wereld op authenticiteit heeft onderzocht.
De Lachende Jongeman is mogelijk van de hand van Jan Lievens, die eind
jaren twintig van de zeventiende eeuw in Leiden een atelier deelde met
Rembrandt van Rijn, dacht het RRP destijds. Het schilderij, dat nu tijdelijk
is, uitgeleend aan een museum in Berlijn voor een tentoonstelling, hangt
sindsdien in het Rijksmuseum met de aanduiding 'School van Rembrandt'.
'Het is eigenlijk een lelijk schilderij, van een lelijke man', zegt Wallert
over dit portret van de meester op zeer jeugdige leeftijd, begin twintig.
Enkele jaren geleden raakte de conservator gefascineerd door het schilderij,
vanwege de korte halen waarmee onder meer het haar van de man is geschilderd.
'Toetserig, kort en hakkelig', zijn de aanduidingen die Wallert daarvoor
gebruikt. Diezelfde korte penseelstreken zijn terug te vinden op een
schilderij dat in Neurenberg hangt, ook een zelfportret dat recentelijk
is toegescheven aan Rembrandt, na een discussie over een mogelijk nageschilderde
versie die in het Mauritshuis hangt.
De Lachende Jongeman dateert uit een periode dat de grote meester bezig
was technieken uit te proberen om gelaatsuitdrukkingen goed tot hun
recht te laten komen, om een gezicht tot expressie te brengen, het fronsen
van het voorhoofd of lachen bijvoorbeeld. 'Uit onderzoek, gebaseerd
op het tellen van jaarringen, blijkt dat onze De Lachende Jongeman op
dezelfde houtplank is geschilderd als dat zelfportret dat in Neurenberg
hangt', zegt Wallert. 'De schilders moeten dus verschrikkelijk dicht
bij elkaar in de buurt zijn geweest.'
Om meer details over de onderschildering te achterhalen, is het schilderij
in februari van dit jaar in de lagefluxreactor in Petten een uurtje bestraald
met langzame neutronen. Bij deze radiografische techniek worden talloze
elementen in de verfpigmenten geactiveerd, en tijdelijk radioactief.
Na de bestraling vervallen ze, onder uitzending van betastraling die
op een lichtgevoelige plaat zichtbaar is te maken. Het ene element, kobalt
bijvoorbeeld in blauwpigmenten, vervalt langzamer dan andere elementen,
zoals mangaan. Vroeger gebruikten de meeste schilders omber, een goedkope,
mangaan houdende ijzeroxideverf, om contouren te schetsen.
Door een slimme keuze van belichtingstijden zijn foto's te maken waarop
is te zien waar op het schilderij kobalthoudende pigmenten (na een belichting
van enkele weken) zijn gebruikt, en waar er met mangaan houdende verf
(al na een belichting van een uur) is gewerkt. De zwarting op de foto vormt
een maat voor de hoeveelheid die van een bepaald pigment is gebruikt.
'Op die mangaanopname zijn die korte, borstelige penseelstreken, zo
karakteristiek voor Rembrandt, uitstekend te zien, met een hoge resolutie',
zegt Wallert. 'Fascinerend, de haardos is in die onderschildering veel
groter. Elke kwaststreek is te zien. Je ziet hoe en waar de schilder de
haren van zijn kwast tegen het onderliggende paneel heeft gedrukt. 'Met
deze techniek kijk je als onderzoeker als het ware mee over de schouder
van de schilder. Dichterbij kan niet. Dit is dolle pret. En als je die details
bekijkt,als je die toetserigheid, een soort handtekening van de schilder,
vergelijkt met de kwaststreken op het schilderij in Neurenberg, moet
je concluderen dat onze De Lachende Jongeman toch een Rembrandt is.'
Nee, overleg met de onderzoekers die meewerken aan het Rembrandt-project,
is er nog niet geweest,zegt Wallert. Daarvoor zijn de resultaten te vers.
De eider van het RPP, prof. dr. Ernst van de Wetering, is benieuwd naar
de nieuwe interpretatie. Deze 'zomer, is de afspraak, gaat hij samen
met een aantal deskundigen van onder andere Het Mauritshuis en het Rijksmuseum,
de resultaten en de onderliggende nieuwe metingen bekijken. 'Kijken
of we ons straks kunnen laten overtuigen, het blijft ook maar een interpretatie',
waarschuwt hij alvast voor te veel stelligheid.
Of er de komende maanden meer twijfelachtige Rembrandts de kernreactor
in zullen gaan? Van de Wetering denkt van niet. Hij vindt dat er om de opnamen
te maken teveel, en te lang moet worden gezeuld met schilderijen, en dat
is niet goed. Dat in rekening gebracht, betwijfelt hij de meerwaarde
van de activeiinstechniek. Ook Wallert van het Rijksmuseum denkt niet
in eerste instantie aan Rembrandts. 'Ik ben als onderzoeker niet als
eerste geinteresseerd in Rembrandt, maar in schildertechnieken, de
manier waarop een schilder de verf heeft opgebracht om bepaalde effecten
te krijgen,'
De conservator van het Rijksmuseum heeft op dit moment meer belangstelling
voor de wijze waarop de zeventiende-eeuwse schilder Ter Borg (1617-1681)
de satijnen jurk heeft geschilderd op zijn Vrouw voor een Spiegel. Dat
is een klein paneel dat hangt in een van de zalen van het Rijksmuseum. 'De
hoge lichten, en het geel van het satijn waarvoor loodwit is gebruikt,
zijn indrukwekkend, evenals de lichtschittering en bepaalde schaduwen
bij enkele plooien in de satijnen jurk. Hoe heeft hij dat gedaan? Dat intrigeert
me. Om daarachter te komen is die neutronenactivering een heel geschikte
techniek.'
Die techniek dateert weliswaar uit de jaren zeventig, de belangstelling
ervoor neemt wat toe. Een belemmerende factor is dat sommige kunsthistorici
denken dat een schilderij na bestraling radioactief blijft. Dat is onzin,
zegt Wallert. 'Alle geactiveerde elementen vervallen op den duur. De
radioactiviteit neemt snel af. Na enkele maanden kan het gewoon weer
worden tentoongesteld. Iemand die naar de televisie kijkt, loopt een
veel hoger risico dan iemand die naar een bestraald schilderij kijkt.'
Broer Scholtens
|