'Het is voor de landsverdediging van belang dat te Petten een schietinrichting voor het beproeven van munitie wordt opgericht en dat daaraan zo weinig mogelijk bekendheid wordt gegeven. Voorts zouden, indien de gewone Hinderwet-procedure werd toegepast, de bescheiden, betrekking hebbende op de in- en uitwendige samenstelling der inrichting en op hetgeen daar zal worden verricht ter visie moeten worden gelegd, hetwelk bepaald ongewenst moet worden geacht,aldus de vorstin. Daarom werd om redenen van staatsbelang, eveneens gelegen in de wenselijkheid aan de voorgenomen oprichting zo weinig mogelijk bekendheid te geven, alsmede om kennisneming der
betrekkelijke bescheiden door onbevoegden te vermijden gevraagd de beoogde hinderwetvergunning geruisloos van toepassing te verklaren.
Koningin Juliana zette haar handtekening en zo kreeg defensie haar schietbaan
naast de kernreactor. Deze kroonvergunning moest om verschillende redenen supergeheim worden gehouden. Het betrof namelijk een ontheffing voor het staatsbedrijf Artillerie Inrichtingen (tegenwoordig Eurometaal). De munitiefabriek lag in de buurt (Zaandam) van de centrale en mocht onder toezicht van de landmacht in de Pettense duinen haar nieuwste granaten beproeven. Dat moest met de nodige omzichtigheid gebeuren, want bij eerdere experimenten aan de Zaan waren weleens Russische pottenkijkers gesignaleerd die in de afzwaaiers geïnteresseerd waren. De vergunning gold ook voor de Koninklijke Landmacht, die hier oefende in het krombaanschieten met artilleriegranaten, luchtdoelartillerie en .5o-munitie. De Koninklijke Marine kon hier zijn gang gaan met scheepsmunitie en raketten. Het meest gevoelig waren de proefschoten met sovjetmunitie, die op de een of andere manier in het schimmige ruilverkeer tussen geheime diensten was verkregen.
Al dit geoefen ging natuurlijk met de nodige risico's gepaard. In die
spannende jaren van de koude oorlog had Nederland zijn eigen raketprogramma.
In diepe stilte werkte de NERO (Nederlandse vereniging voor raketonderzoek)
aan de E-17 en de E-18, twee meter lange projectielen die rond 1970 ergens
vanuit de duinen richting zee moesten worden afgeschoten. Ging het hier
om hobbyisme van een groep amateurs? Niet helemaal, want de Koninklijke
Nederlandse Springstoffenfabriek 'Muiden' stelde brandstof beschikbaar
en de NERO claimde dat ze 'steun van militaire overheden' had. Deze Nederlandse
raketten zouden moeten worden opgeslagen in Petten.
Burgemeester G.J. Glijnis van Zijpe schrok zich een hoedje toen hij via via van deze plannen vernam. Hij stuurde op 4 mei 1970 een brief aan de minister van Defensie
W. den Toom. Hij wilde een verbod op de plannen om van Petten een raketbasis
te maken. Plannen die hij in zijn brief aannemelijk noemde 'aangezien
het mij bekend is dat zich in de duinen nabij Petten een militaire lanceerinrichting
bevindt voor raketten'. Veel wist de burgemeester zelf ook niet van de
schietproeven op het terrein, maar wel dat de lanceerinrichting op
slechts enkele honderden meters afstand gelegen is van het Reactor Centrum
Nederland' en dat 'een ongeluk met een raket grote materiele schade en
persoonlijke gevolgen zou kunnen hebben (personeelssterkte ca. 900),
nog daargelaten de mogelijkheid dat radio-actieve stoffen vrij zouden
kunnen komen'.
De burgemeester kreeg een brief terug van de minister
dat de NERO geen toestemming had gekregen 'op eigen gelegenheid' raketproeven
te gaan doen. Maar als de NERO dat wel van plan was, zou de burgemeester
hiervan op de hoogte worden gesteld. Maar veel illusies dat hij deze experimenten
zou kunnen tegenhouden, moest de burgemeester zich niet maken. Het had
geen zin om een nieuwe, en dan wel openbare hinderwetvergunningsprocedure
hiervoor te beginnen. Wanneer de raketproeven een militair belang zouden
dienen, konden ze worden uitgevoerd met een beroep op de (geheime) kroonvergunning
uit 1967.
De ongerustheid van de burgemeester was niet ongegrond. Want
er was intussen al iets behoorlijk misgegaan: op 21 april 1970 vloog er
een granaatscherf van de Koninklijke Landmacht door een ruit van het
koud-laboratorium van de kerncentrale. Het ging om nieuwe, pantserdoorborende
Franse antitankmunitie die vanaf plateau IV op het terrein naast de reactor
was verschoten en na 400 meter naar de reactor was afgezwaaid. Het ging
om een zogenaamde 'baanspringer'.
Euratom, werkgever van het personeel van de reactor, schreef direct na dit ongeluk een brandbrief aan de Koninklijke Landmacht. Tot onze ontsteltenis moeten wij u mededelen dat op 21 april jl. omstreeks 12.30 uur een granaatscherf, die afkomstig was van een
op dat moment gehouden oefening op het schietterrein, een ruit op de tweede
etage van ons koud-laboratorium heeft doorboord. (...) Bedoelde scherf
is aanzienlijk buiten de veiligheidszone terechtgekomen. Verantwoordelijk
zijnde voorpersoneel en materieel dat zich op het Euratom Centrum bevindt,
moeten wij tegen het niet respecteren van genoemde veiligheidsgrens
ten sterkste protesteren. (...) De feiten zijn des te verontrustender
omdat op de derde verdieping van genoemd laboratorlum radio-actief
werk wordt verricht.'
Defensiekolonel ir. W. van Hoytema schreef een haastig mea culpa aan Euratom, waarin hij beloofde de proefschoten vanaf plateau IV direct te stoppen. Zijn meerderen konden vervolgens niet veel begrip voor deze reactie opbrengen. De documenten in het 'baanspringer'-dossier tonen aan dat defensie Hoytema's brief als een ongelukkige vergissing beschouwde. De proeven moesten doorgaan. In een instructie, gedateerd
18 augustus 1970, wordt beschreven hoe de lastige burgemeester van Zijpe
eventueel aangepakt (ingepakt) moest worden. De oefeneningen werden
vervolgd.
Is Petten scheurbestendig? De klachten in het - dunne en slordige
- dossier van het ministerie van Defensie stellen niet helemaal gerust.
Al in de jaren zestig waarschuwde het ECN (Energie Centrum Nederland)
dat het last had van 'grondtrillingen' door de schietoefeningen. Deze
brief (2 november 1965) zorgde zelfs voor een interministerieel conflict.
De minister van Economische Zaken J.M. den Uyl (belast met kernenergie
Petten) schreef een brief aan zijn collega van Defensie, P.J.S. de Jong,
met de vraag om sluiting van de oefenterreinen te bevorderen. 'Deze (proeven,
VN - KC) maken weliswaar de uitvoering van de werkzaamheden niet onmogelijk,
doch Euratom vreest dat dit bij verdere uitbouw van zijn centrum wel eens
ernstiger kan worden, terwijl ook NV Philips Duphar, die op het RCN terrein
een cyclotron bouwt voor de vervaardiging van isotopen, ernstige hinder
vreest'. Maar staatssecretaris Van Es, zelf ex-marineman, voelde daar
niets voor. De zaak werd twee jaar lang getraineerd. In 1976 gaf hij zijn
ondergeschikten opdracht om zoveel mogelijk tegenargumenten te verzamelen.
In 1978-1979 liep hts-studente ing. Noor Koornneef stage bij de Hogefluxreactor.
Haar stage-opdracht luidde: meet het off gassysteem van de reactor door.
Dat is het best te vergelijken met het afzuigsysteem in de Nederlandse
keuken, maar dan niet om vieze luchtjes maar radioactieve deeltjes af
te voeren. Tot haar verrassing bleek het systeem lang niet al die deeltjes
af te zuigen en veel werknemers moesten de vervuilde lucht dus hebben
ingeademd. Het systeem was zo vaak veranderd dat de leidingen bij niemand
meer precies bekend waren, waardoor Koornneef tot de conclusie kwam
dat 'er geen controlemogelijkheíd meer was om te zien hoe het werkt'.
De conclusie in het stageverslag: 'Men weet niet welke druk (of drukverschil)
over een bepaalde leidinglengte nodig is voor een bepaalde afzuiging'.
Twintig jaar geleden, maar toch. Minstens zo verrast was ze echter over
wat ze bij de eerste rondleiding op het terrein ontdekte, vertelt ze.
Haar oog viel op een gat in de hoek van de gevel van de lage-fluxreactor.
'Die is van een marineraket die hier een tijdje geleden is ingeslagen,'
kreeg ze als uitleg. `Niet verder vertellen, er vliegt hier wel vaker wat uit
de bocht.' In de - zeer onvolledige - marinearchieven is hier echter niets
over terug te vinden, maar het is haar meer dan eens verteld. 'En ook dat
de marine sinds die tijd alleen nog maar in de richting van de Noordzee
mag schieten', herinnert ze zich.
Het gevaar komt soms ook uit de lucht. In oktober 1993 vloog tot schrik van het ECN-personeel en de bewoners van Petten een aantal straaljagers van de Koninklijke Luchtmacht heel laag over de reactor en overtrad híermee de veiligheidsvoorschriften.
Directeur H. van den Kroonenberg eiste, en kreeg na het incident een vliegverbod
boven het nucleaire complex. 'Dat geldt sindsdien onverkort', stelt defensievoorlichter Schönau geruststellend. Maar hij moet bevestigen dat het schieten gewoon is doorgegaan. En het omstreden plateau IV functioneert tot op de dag van vandaag. Sinds er radioactief materiaal op het terrein ligt opgeslagen, word er wel de helft minder verschoten dan vroeger. Schönau: 'Zowel de land macht als de marine zijn nog op Petten actief. Er wordt uitsluitend van de duinen naar de zee geschoten.' Dat deed zelfs het Rode Leger niet in de zijtuin van de Tsjernobylreactor.