|
Het berichtje op pagina 3 in deze krant van 28 oktober ('Borssele mag kernafval
transporteren') vraagt om enige aanvulling. In de eerste piaats waar
het gaat om de aard van het transport. Het betreft gebruikte splijtstofelementen
uit de kernenergiecentrale, die voor recycling naar de opwerkingsfabriek
van Cogéma in Frankrijk worden gebracht. Daar wordt 95 procent van
het materiaal uit de elementen teruggewonnen voor hergebruik; de rest
(5 procent) is wat 'kernafval' wordt genoemd. De transporten dienen
derhalve een nuttig doel. Anders dan in het bericht staat, onderschrijft
ook de Raad van State dat in zijn uitspraak in het verzoek van Greenpeace
om de vergunning voor de transporten te schorsen.
Ook staat niet vermeld dat de Raad van State duidelijk stelling neemt
tegen de visie dat de splijtstofelementen moeten worden opgeslagen
en dat het transport gevaarlijk is. De Raad stelt dat directe opslag van
de splijtstofelementen onmogelijk is: de elementen zijn te lang voor
de beschikbare opslagruimte bij Covra in Zeeland. Bovendien is het nut van
het proces van opwerking van gebruikte splijtstofelementen volgens
de Raad van State een gegeven. Daarbij komt dat Cogéma een erkend bedrijf is voor opslag
en verwerking van splijtstoffen dat volledig voldoet aan de voorschriften
in de milieuvergunning, aldus de uitspraak. Wat betre de veiligheid
heeft de Raad van State vastgesteld dat voor de transporten duidelijke
voorschriften gelden die voorkomen dat bij het transport betrokken
personen aan straling worden blootgesteld. Eerder al had de Gezondheidsraad
in een advies aan minister Pronk laten weten dat het transport van gebruikte
splijtstofelementen zonder onverantwoorde risico's voor de volksgezondheid
hervat zou kunnen worden. De minister heeft dat bevestigd.
RINY KOK,
hoofd In- en Externe Communicatie EPZ
|